Rhinopneumonie: preventie, management en behandeling

Folia Veterinaria
Doeldier: 
paard niet-voedselprod, paard voedselprod
Actief bestanddeel: 
rhinopneumonievirus (Eq) EHV
Topics: 
Aanbevelingen


Rhinopneumonie bij het paard is een virusinfectie veroorzaakt door het Equine herpesvirus type 1 of type 4 (EHV1, EHV4). Nagenoeg alle paarden maken een EHV-infectie door. De meeste van deze infecties verlopen symptoomloos. Wanneer de ziekte toch uitbreekt, onderscheidt men drie klinische vormen:

  • de respiratoire vorm of meer specifiek rhinopneumonie, meestal met milde ademhalingssymptomen
  • de abortusvorm
  • de neurologische vorm (ook Equine Herpesvirus Myeloencephalopathy – EHM genoemd) met ataxie, paralyse en sterfte

Respiratoire vorm

  • Symptomen: koorts, neusvloei, opgezette lymfeknopen, soms hoesten en dikke benen, meestal in een groep van jonge paarden (lft < 2 jaar)
  • Diagnose: temperatuur opvolging bij alle paarden op het bedrijf gedurende 7 dagen (de acute infectie veroorzaakt gedurende 2 à 5 dagen koorts), diagnose kan met PCR worden bevestigd op basis van een neusswab (zo snel mogelijk af te nemen na het verschijnen van de symptomen) of een bloedstaal (EDTA of heparine), (gekoeld bezorgen aan het labo).
  • Therapie: meestal niet nodig, evt. symptomatische behandeling bij erg zieke dieren bv. NSAID’s, indien de symptomen niet verdwijnen na een week en wijzen op een secundaire bacteriële infecties kunnen antibiotica (bv. trimethoprim –sulfamiden oraal) worden toegediend.
    Corticosteroïden kunnen enerzijds de immuunrespons tegenwerken en eventueel de uitscheiding van het virus verlengen of verergeren maar zouden anderzijds een remmende invloed hebben op de reactie van de endotheelcellen en daardoor vasculitis, trombose en de beschadiging van neuronen tegengaan.
    Voor het gebruik van immunostimulerende of antivirale middelen bestaat geen wetenschappelijke onderbouwing.
  • Management: isoleer dieren met koorts gedurende 2-4 w (risico voor drachtige merries!), voorzie stofvrij voeder (kuil, nat hooi) en een stofvrije stal of plaats de dieren bij goed weer op de weide, licht de eigenaar in dat contact met andere bedrijven moet worden vermeden en dat drachtige merries zouden kunnen aborteren of dat paarden neurologische symptomen zouden kunnen vertonen
  • Prognose: goed

Abortusvorm

  • Symptomen: abortus tijdens derde trimester van de dracht, maar soms ook de geboorte van een zwak veulen dat na enkele dagen sterft. (Vooral EHV1)
  • Diagnose bevestigen door PCR op basis van long en lever van het veulen (deze organen kunnen gekoeld opgestuurd worden naar het labo) en temperatuur opvolgen bij andere paarden op het bedrijf gedurende 7 dagen (de acute infectie veroorzaakt gedurende 2 à 5 dagen koorts).
  • Therapie merrie: niet nodig (tenzij ook een retentio secundinarum wordt vastgesteld).
  • Therapie zwak geboren veulen: gezien de negatieve prognose meestal niet zinvol (euthanasie).
  • Management: verwijder de dode vrucht en vruchtvliezen zo snel mogelijk (goed verpakt) en reinig en desinfecteer de stal, was de uitwendige genitaliën van de merrie met desinfecterende zeep, isoleer daarna de merrie (voor 4 weken), isoleer indien mogelijk andere drachtige merries en houdt deze op het bedrijf (deze kunnen alsnog aborteren waarbij veel virus vrijkomt), de merrie die geaborteerd heeft niet laten dekken tijdens de veulenhengstigheid aangezien ze tot 4 weken na de abortus nog infectieus is, (KI op het bedrijf kan in principe wel maar het succes van KI na een abortus is kleiner).
    Isoleer andere dieren met koorts, licht de eigenaar in dat contact met andere bedrijven moet worden vermeden, dat de kans reëel is dat nog meerdere merries zullen aborteren en dat de paarden neurologische symptomen zouden kunnen vertonen.
  • Prognose merrie: goed, zwak geboren veulen: slecht

Neurologische vorm

  • Symptomen: kunnen beginnen zoals de respiratoire vorm maar na enkele dagen (1-10 d) ontstaat een acuut verergerende ataxie, soms zelfs paralyse met oedeem en urine-incontinentie (vooral EHV1, bepaalde stammen binnen het EHV-1 type zouden frequenter zenuwstoornissen veroorzaken dan andere stammen).
  • Diagnose: temperatuur opvolging bij alle paarden op het bedrijf gedurende 7 dagen (de acute infectie veroorzaakt gedurende 2 à 5 dagen koorts), diagnose kan met PCR worden bevestigd op basis van een neusswab (zo snel mogelijk af te nemen na het verschijnen van de symptomen) of een bloedstaal (EDTA of heparine), (gekoeld bezorgen aan het labo).
  • Therapie: bij urine-incontinentie: katheteriseer 2 x pd de blaas en spoel na met verdunde povidone-jodiumoplossing, (als alternatief kan een permanente urinekatheter geplaatst worden of kan de blaas manueel leeg geduwd worden), geef gelijktijdig antibiotica (vb. trimethoprim –sulfamiden) om blaasinfecties door blaaskatheterisatie te vermijden en NSAID’s (behandel parenteraal indien het paard onvoldoende eet), leeghalen van het rectum is zelden nodig. Ook bij paarden die liggen worden antibiotica preventief aanbevolen om verslikkingspneumonie te voorkomen. Bij merries met overloopblaas moet erop toegezien worden dat de achterhand schoon gehouden wordt (eventueel preventief instrijken met vaseline). Als het paard langer ligt dan 1 à 2 dagen is de prognose slecht en moet euthanasie overwogen worden.
  • Management: isoleer dieren met koorts en/of neurologische symptomen (4 w), plaats ze op een zachte bodem (manegebodem of zandbodem met dikke laag stro), paarden die liggen moeten om de 4 à 6 h op de andere zijde worden gelegd (of optakelen in een singel), regelmatig voedsel en water aanbieden of binnen het bereik van het dier plaatsen (evt. op een verhoog), plaats een NaCl 0.9%-infuus als de dieren te weinig drinken (< 60-80 ml/kg pd), licht de eigenaar in dat contact met andere bedrijven moet worden vermeden en dat drachtige merries kunnen aborteren.
  • Prognose: bij lichte ataxie: relatief goed, voor paarden die paretisch of paralytisch zijn: gereserveerd

Reiniging, desinfectie van de omgeving en isolatie van zieke dieren

Verspreiding van het virus gaat slechts over kortere afstand via de lucht of via direct contact tussen de paarden en eventueel door besmette voorwerpen (bv. kleding van de verzorger, staldeuren, bodembedekking, voer- en drinkemmers).

Enkele maatregelen die steeds genomen kunnen worden om virusverspreiding tegen te gaan:

  • Bij voorkeur worden drachtige merries gescheiden gehouden van andere paarden en zeker van jaarlingen. Ook dieren die frequent contact hebben met ‘bedrijfsvreemde’ paarden zoals sportpaarden, worden best apart van de fokmerries gehouden.
  • Idealiter dient het bedrijf bij een uitbraak gesloten te worden en dienen alle dieren op het bedrijf te blijven. Zieke dieren moeten worden geïsoleerd zolang ze virus uitscheiden. In de regel neemt men aan dat dit 3 à 4 weken na een abortus of na het verdwijnen van de koorts is.
  • Isoleer zieke dieren bij voorkeur in een aparte stal waarbij de luchtvoorziening gescheiden is van de andere stallen.
  • Verwijder het gebruikte bodemmateriaal en voer dit meteen af van het bedrijf.
  • Reinig stallen door schrobben met zeep en water, laat vervolgens goed opdrogen. Gebruik geen hogedrukspuit (de aerosol verspreidt het virus) en desinfecteer nadien met een gepast middel tegen virussen zoals hypochlorietverbindingen.

Preventie

Algemeen

  • Bij voorkeur worden drachtige merries gescheiden gehouden van andere paarden en zeker van jaarlingen. Ook dieren die frequent contact hebben met ‘bedrijfsvreemde’ paarden zoals sportpaarden, worden best apart van de fokmerries gehouden.
  • Op wedstrijden of bijeenkomsten kan het apart houden van de eigen voer- en drinkemmers helpen om een infectie te vermijden.
  • Idealiter zouden paarden die van elders komen 2 à 3 weken apart verzorgd en opgestald moeten worden om insleep van ziekten te voorkomen. Deze paarden zouden ook 2 x per dag getemperatuurd kunnen worden. In de praktijk is dit zelden haalbaar maar een dagelijkse inspectie van alle dieren op het bedrijf en een goede hygiëne en reiniging van de stallen kunnen veel problemen voorkomen.

Vaccinatie

In België is slechts één vaccin in de handel (Equip EHV 1, 4 ®) dat beschermt tegen de respiratoire vorm van rhinopneumonie veroorzaakt door EHV1 en EHV4 in die zin dat de ziekte een milder verloop zal kennen en dat de virusuitscheiding lager zal zijn. Dit vaccin vermindert ook de incidentie van abortus veroorzaakt door EHV1. Zenuwsymptomen worden niet voorkomen.

  • Primovaccinatie
    • Vaccinatie wordt doorgaans vanaf de leeftijd van 5-6 maanden aanbevolen (primovaccinatie = 2 x 1 dosis met 4-6 weken interval).
    • Bij hoog infectierisico (bv. voor veulens die weinig colostrum hebben opgenomen of indien het risico op blootstelling aan veldvirus verhoogd is) kan reeds vanaf de leeftijd van 3 maanden één enkele dosis toegediend worden in afwachting van de volledige primovaccinatie op 5-6 maanden.
  • Hervaccinaties
    • De duur van de immuniteit is slechts 6 maanden waardoor na de primovaccinatie om de 6 maanden een herhalingsvaccinatie met telkens 1 dosis uitgevoerd moet worden.
  • Vaccinatie van drachtige merries
    • Het vaccin kan tijdens ieder stadium van de dracht of tijdens de lactatie toegediend worden. Er wordt aanbevolen om drachtige merries tijdens de 5de, 7de en 9de maand van de dracht te vaccineren, telkens met 1 dosis.

Door het preventief vaccineren op het bedrijf vermindert de virusexcretie bij de gevaccineerde paarden en de verspreiding van het virus waardoor de kans op een uitbraak en op gevallen met neurologische symptomen en/of abortus verminderd kan worden.
Vaccinatie van de gezonde dieren op een bedrijf tijdens een uitbraak is te overwegen.
Paarden hebben na een natuurlijke infectie een goede immuniteit maar deze is eveneens slechts kortstondig (3 à 6 maanden) en deze dieren dienen vervolgens nog wel gevaccineerd te worden.

Besluit

Rhinopneumonie veroorzaakt door EHV1 en EHV4, is een haast niet te voorkomen ademhalingsinfectie bij het paard. Hoewel er na infectie dikwijls geen symptomen opgemerkt worden of de ziekte een mild verloopt kent onder haar rhinopneumonievorm, wordt ze gevreesd voor het veroorzaken van abortus en neurologische symptomen met vaak een dodelijk gevolg.

Regelmatig vaccineren (2 x per jaar) en het respecteren van een aantal managementfactoren waardoor insleep van het virus op het bedrijf of bij uitbraak, de verspreiding ervan binnen het bedrijf of naar andere bedrijven voorkomen wordt, moeten door elke paardenbezitter consequent worden uitgevoerd opdat de ziekte enigermate beperkt zou blijven.


Adviezen en richtlijnen omtrent rhinopneumonie
  1. http://paarden.vlaanderen/nl/themas/Paardenwelzijn-gezondheid-en-verzorging/Rhinopneumonie-144  
  2. https://www.kwaliteitdiergeneeskunde.nl/kwaliteit/richtlijnen/algemeen-richtlijnen/item/10859756/Richtlijn-Rhinopneumonie
  3. EHV-1 Consensus statement Journal of Veterinary Internal Medicine 2009, 23, 450-461

Gerelateerde commentaren