Orale oplossing met capromoreline stimuleert de eetlust en bevordert gewichtstoename bij katten die lijden aan gewichtsverlies als gevolg van een chronische aandoening.
Capromoreline verhoogt de voedselinname en verandert de stofwisseling, wat leidt tot een gewichtstoename. Capromoreline bootst de werking van ghreline na. Ghreline is een hormoon dat bij vasten in de maag afgescheiden wordt om een hongergevoel uit te lokken en de eetlust op te wekken.
Capromoreline bindt met de ghrelinereceptoren in de hypothalamus om de eetlust te stimuleren en in de hypofyse om de uitscheiding van groeihormoon (GH) te stimuleren. GH stimuleert de secretie van de insuline-achtige groeifactor 1 (IGF-1) door de lever die het anabool effect van GH versterkt, wat tot de gewichtstoename leidt. Te hoge plasmawaarden aan GH en IGF-1 worden vermeden door een negatieve terugkoppeling met het endogene somatostatine.
Capromoreline wordt na orale toediening snel geabsorbeerd met een eerste Tmax: 0,5 h, gevolgd door een tweede Tmax na 2 h (bij nuchtere katten). Bij de mens wordt de tweede piek veroorzaakt door een metaboliet. Biologische beschikbaarheid (van een niet-definitieve formulering) na orale toediening bij de kat werd berekend als 34%. De binding aan plasmaproteïnen is bij katten matig (61%).
De gemiddelde halfwaardetijd in het serum bedraagt na orale toediening 1 h. Hoewel de absorptie van capromoreline trager verliep bij gevoede dan bij nuchtere katten en leidde tot een lagere Cmax, namen de IGF-1-concentraties in het serum in beide groepen evenveel toe.
Bij de mens en andere diersoorten dan de kat waaronder de hond, gebeurt de metabolisatie nagenoeg uitsluitend in de lever (vnl. fase I metabolieten). De eliminatie gebeurt vooral fecaal.
Nierinsufficiëntie bij katten had geen effect op de farmacokinetiek van capromoreline.
- Overgevoeligheid voor capromoreline of de hulpstoffen in het diergeneesmiddel.
- Katten met hypersomatotropisme (acromegalie).
- Zeer vaak (> 1/10 behandelde dieren): overmatig speekselen
- Vaak (1 à 10/100 behandelde dieren): diarree, braken, anemie, huidletsels op de bek en de kin, uitdroging, lethargie.
- Zelden (1 à 10.000 behandelde dieren): anorexie, gedragsstoornissen.
- Zeer zelden (1/10.000 behandelde dieren): hypotensie, bradycardie, dyspnee, bewustzijnsverlies, sedatie, gaan liggen, speirzwakte, schuilen.
Geen bekend.
De werkzaamheid van dit diergeneesmiddel is niet onderzocht bij dieren < 6 jaar of < 2 kg lichaamsgewicht of voor een behandelingsduur langer dan 90 dagen.
De veiligheid van dit diergeneesmiddel is niet onderzocht bij katten < 10 maanden of < 2 kg lichaamsgewicht. De veiligheid bij katten met een chronische aandoening is niet onderzocht voor een behandelingsduur die langer dan 90 dagen duurde. Controleer de katten indien de behandeling > 90 dagen duurt.
Capromoreline verhoogt initieel de glucosespiegel, met veel variatie tussen katten. Dit effect verdwijnt echter na enkele dagen behandelen bij niet-diabetische katten. Het diergeneesmiddel is niet onderzocht bij katten met diabetes mellitus. Het gebruik bij diabetische katten moet gebaseerd zijn op een positieve baten-risicoanalyse.
Oppassen bij het gebruik van capromoreline bij katten met:
- Hypotensie omdat capromoreline de hartslag en bloeddruk verlaagt tot 4 uur na de behandeling bij gezonde katten. Deze effecten werden omgekeerd door menselijke interactie en het voeren van de kat.
- Hypersomatotropisme (acromegalie).
- Leverinsufficiëntie.
Als mensen en vnl. kinderen dit diergeneesmiddel innemen kunnen lichte, voorbijgaande klachten ontstaan onder meer buikpijn, lethargie, hartkloppingen. De hulpstoffen parabenen en povidon kunnen allergische reacties veroorzaken. Het diergeneesmiddel kan oog- en huidirritatie veroorzaken. Als de irritatie niet verdwijnt na overvloedig spoelen, moet er een arts geraadpleegd worden.
Bij laboratoriumratten werden teratogene effecten waargenomen. De veiligheid van het diergeneesmiddel tijdens voortplanting, dracht en lactatie is niet vastgesteld. Niet toedienen aan fokdieren, drachtige of lacterende dieren.