Kat: molidustat is geïndiceerd voor de behandeling van niet-regeneratieve anemie geassocieerd met chronische nierziekte (CKD).
Molidustat is een competitieve en reversibele remmer van hypoxie-induceerbare factor prolylhydroxylase (HIF-PH). De remming van de afbraak van de hypoxie-induceerbare factor (HIF) resulteert in een toename van het endogeen erytropoëtine (EPO) wat tenslotte leidt tot een verhoogde erytropoëse.
Molidustat na orale toediening (5 mg/kg) bij gezonde dieren: snelle absorptie (Cmax wordt binnen 1 h bereikt) - hoge biologische beschikbaarheid (80 %) – geen invloed van de maaltijd - T1/2= 6 h - geen relevante accumulatie bij dagelijkse dosering - dosisafhankelijke toename van de blootstelling (AUC) binnen dosisbereik van 2,5-10 mg/kg (aanbevolen dosering: 5 mg/kg).
Behandel enkel als het packed cell volume of hematocriet < 28%.
- Vaak (1 à 10 /100 behandelde dieren): braken
- Zeer zelden (<1 dier/10.000 behandelde dieren): trombose
- Interacties met erytropoëse-stimulerende middelen zoals eryhtropoëtine of recombinante erytropoëtines (bv. epoëtine en darbepoëtine) zijn niet onderzocht.
- Fosfaatbinders, ijzersupplementen, calcium, magnesium of aluminium kunnen de absorptie van molidustat verlagen.
Geef geen nieuwe dosis als de kat een deel van de dosis heeft uitgebraakt.
Monitoring:
- Controleer tijdens de behandelingscyclus (28 dagen) na 14 dagen en daarna wekelijks het packet cell volume/hematocriet (PCV/HCT); PCV/HCT moeten lager zijn dan de bovenwaarde van het referentiebereik.
- Stop de behandeling indien deze referentiewaarde is overschreden. Controleer nadien regelmatig de PCV/HCT en start een nieuwe behandelcyclus indien de PCV/HCT < 28%.
- De behandeling kan verdergezet worden indien de kat nog steeds anemie heeft op het einde van een behandelcyclus.
- Indien de kat na 3 weken behandelen niet reageert op de behandeling: controleer op andere oorzaken van anemie (ijzergebrek, ontstekingsziekten, bloedingen).
Voor personen: vermijd contact met de huid en accidentele ingestie (verhoogde erytropoëtinespiegels, verhoogde hemoglobine- en hematocrietwaarden en duizeligheid, tachycardie, misselijkheid, braken, hoofdpijn en flushing veroorzaken) – was handen na toediening (zeker bij zwangere vrouwen).
Bij laboratoriumratten traden bij hoge dosissen foetotoxische effecten op (oculaire misvormingen, verlaagd foetaal gewicht, verhoogd postimplantatieverlies).
De veiligheid van het diergeneesmiddel is niet bewezen tijdens dracht, lactatie of bij fokkatten. Gebruik van het diergeneesmiddel tijdens dracht en lactatie, of bij fokkatten wordt niet aanbevolen.