Ovariëctomie of ovariohysterectomie bij honden verhoogt de incidentie van urine-incontinentie. De oorzaak van deze vorm van urine-incontinentie werd vroeger geweten aan het wegvallen van de invloed van oestrogenen op de blaassfincter, waardoor die gerelaxeerder is en er urineverlies optreedt. Tegenwoordig wordt echter aangenomen dat de sfincterproblemen niet zozeer te wijten zijn aan een daling van de oestrogenen, doch eerder aan de hiermee gepaard gaande verhogingen van FSH- en LH-gehalten die optreden door het wegvallen van een negatieve feedback van oestrogenen. Medische behandeling beoogt een verhoging van de sluitingsdruk van de blaassfincter.
Behandeling van urine-incontinentie bij geovariëctomiseerde teefjes.
Fenylpropanolamine (FPA) een sympaticomimeticum stimuleert de urethrareceptoren die voornamelijk adrenergisch van aard zijn. Hierdoor ontstaat er een verhoging en een stabilisatie van de sluitingsdruk van de urethra.
FPA wordt oraal toegediend. De biologische beschikbaarheid is groter bij toediening aan nuchtere honden.
Behandeling van gedragsstoornissen die gekenmerkt worden door ongepast urineren. Zie ook Interacties.
Sympaticomimetica kunnen vele bijwerkingen hebben (cardiovasculair, gastro-enteraal) ten gevolge van de prikkeling van het sympathisch zenuwstelsel. Voorzichtigheid is geboden bij de toediening van FPA aan dieren met cardiovasculaire aandoeningen, lever- en nierinsufficiëntie, diabetes mellitus, hyperadrenocorticisme, glaucoom, hyperthyroïdie en andere metabole stoornissen.
Sympaticomimetica verhogen de toxiciteit van FPA. Niet toedienen met anticholinerge stoffen. Een interval van 2 weken zou moeten in acht worden genomen indien men FPA wil toedienen aan dieren die eerder behandeld werden met MAO-remmers. Indomethacine (of andere NSAID’s), reserpine en tricyclische antidepressiva kunnen samen met FPA het risico op bloedrukstijging verhogen. Cyclopropaan of gehalogeneerde hydrocarbonanesthetica toegediend met FPA verhogen het risico op aritmiën.
De behandeling dient te gebeuren nadat andere mogelijke oorzaken van urine-incontinentie, zoals anatomische afwijkingen en gedragsstoornissen zijn uitgesloten. Het uitvoeren van een goed klinisch onderzoek is bijgevolg zeer belangrijk.
De toediening tijdens dracht of lactatie is gezien de indicatie niet van toepassing.