Apomorfine

Apomorfine

NEW
Groep: 
Emeticum
Indicatie: 
emesis
Actief bestanddeel: 
apomorfine
Indicatie: 

Het induceren van braken bij de hond.

Farmacodynamie: 

Apomorfine stimuleert de dopaminereceptoren t.h.v. de chemoreceptor trigger zone waardoor braken wordt geïnduceerd. De werking (expulsie of braken) treedt 2 tot 15 min na toediening op en kan 2 min tot 2,5 h aanhouden.
Apomorfine kan zowel een stimulerende als sederende (meestal) invloed hebben op het centraal zenuwstelsel.

Farmacokinetiek: 

Apomorfine heeft na orale toediening een onvoorspelbare werking en wordt daarom parenteraal toegediend. Na sc-toediening is er een snelle resorptie met een piekconcentratie na 20 min. Apomorfine bindt sterk aan plasma-eiwitten.
Apomorfine wordt in de lever gemetaboliseerd en vnl. als metaboliet met de urine uitgescheiden. Uitscheiding gebeurt ook via de melk.

Contra-indicatie: 

Niet gebruiken bij

  • dieren met hypoxie, dyspnoe, epileptische aanvallen, hyperexcitatie, extreme zwakte, ataxie, comateus, geen normale faryngale reflexen of lijden aan andere gesignaleerde neurologische stoornissen die kunnen leiden tot aspiratiepneumonie.
  • depressie van het centrale zenuwstelsel
  • katten , konijnen en knaagdieren of andere diersoorten.
  • inname van bijtende stoffen (zuren en alkaliën), schuimende producten, vluchtige stoffen, organische oplosmiddelen en niet-stompe voorwerpen (bijv. glas).
  • stoornissen van de bloedsomloop, bij shock en bij anesthesie.
  • dieren kort voordien werden behandeld met dopamine-antagonisten (neuroleptica).
  • overgevoeligheid voor het werkzame bestanddeel of een van de hulpstoffen.
Bijwerkingen: 

Bijwerkingen zijn van voorbijgaande aard:

  • slaperigheid
  • verandering van eetlust
  • toegenomen speekselvloed
  • lichte tot matige pijn bij injectie
  • lichte uitdroging
  • verandering in de hartfrequentie (tachycardie gevolgd door bradycardie)

Overdosering van apomorfine kan resulteren in respiratoire en/of cardiale depressie, prikkeling van het CZS of depressie, langdurig braken, of zelden in rusteloosheid, opwinding of zelfs convulsies.

Naloxone kan toegediend worden om de respiratoire depressie of de depressie van het centraal zenuwstelsel tegen te gaan, maar heeft geen invloed op het braken.
Centraal geïnduceerd braken door apomorfine kan worden tegengegaan met maropitant.

Interacties: 
  • Neuroleptica (chloorpromazine, haloperidol) en anti-emetica (metoclopramide, domperidon) verminderen de werking van apomorfine.
  • Opiaten of barbituraten kunnen de werking van apomorfine op het centraal zenuwstelsel en de respiratoire depressie versterken.
  • Dopamine agonisten zoals cabergoline kunnen bijkomende effecten veroorzaken zoals het verergeren van het braken.
Voorzorgen voor gebruik: 

Dien geen tweede injectie toe omdat dit geen positief effect zal hebben en klinische tekenen van toxiciteit kan veroorzaken.
Apomorfine kan bij de mens overgevoeligheidsreacties veroorzaken en kan bij accidentele (zelf)injectie leiden tot slaperigheid of misselijkheid. Omdat apomorfine bij bepaald labdieren teratogene effecten heeft, worden zwangere vrouwen aangeraden dit product niet te hanteren. Ook vrouwen die borstvoeding geven dien het hanteren van dit product te mijden.

Voortplanting & lactatie: 

De veiligheid van het diergeneesmiddel is niet bewezen tijdens dracht, en lactatie bij honden.
Bij hogere dosissen heeft apomorfine teratogene en toxische effecten op foetussen bij bepaalde labdieren.
Apomorfine wordt met de melk uitgescheiden wat bij zogende pups ongewenste effecten kan veroorzaken.