Cobalaminedeficiëntie komt vaak voor bij honden (en katten) met een chronische enteropathie (CE) of exocriene pancreasinsufficiëntie en vormt voor beide aandoeningen een negatieve prognostische factor. Bij bepaalde hondenrassen (border collie, riesenchnauzer, beagle, Australische herder en sharpei) komt een erfelijke vorm van cobalaminedeficiëntie voor. Deze vorm wordt het Imerslund-Gräsbeck syndroom (IGS) genoemd, naar analogie met een erfelijke vorm van cobalaminedeficiëntie bij de mens. In tegenstelling tot de mens (m.n. bij veganisten) zijn er voor honden geen gepubliceerde rapporten van spontaan optredende cobalaminedeficiënties als gevolg van een cobalaminegebrek in de voeding.
De symptomen van cobalaminedeficiëntie zijn vaak niet te onderscheiden van een eventuele enteropathie. Anorexia, braken en/of diarree, pica, gewichtsverlies, groeiachterstand, vermoeidheid en slechte reactie op de behandeling van de onderliggende ziekte zijn de belangrijkste symptomen. De diagnose wordt bevestigd door bijkomend bloedonderzoek waarbij ondermeer een niet-regeneratieve anemie, eventueel met neutropenie en een verlaagde cobalamineconcentratie wordt vastgesteld.
Behandeling van cobalaminedeficiëntie bij de hond
De behandeling van cobalaminedeficiëntie bestaat enerzijds uit het behandelen van de eventuele onderliggende pathologie die de oorzaak is van het cobalaminegebrek en anderzijds uit supplementatie met cobalamine. Omdat ervan uitgegaan werd dat de darm onvoldoende cobalamine kan absorberen bij enteropathie of erfelijke cobalaminemalabsorptie werd tot voor enkele jaren cobalaminedeficiëntie parenteraal behandeld met cobalamine-injecties. Bij de mens werd echter al langer aangetoond dat 1 % van het oraal toegediende cobalamine, onafhankelijk van de intrinsieke factor, doorheen de darmwand diffundeert. Hoge orale dosissen met cobalamine zijn bij de mens de standaardbehandeling (Toresson et al. 2016).
In recente studies wordt het wetenschappelijk bewijs gegeven dat orale en parenterale cobalaminesupplementatie bij de hond met cobalaminedeficiëntie dat ontstaat na chronische enteropathie (Toresson et al. 2019) of bij de erfelijke cobalaminemalabsorptie (Kook en Hersberger (2019)), even werkzaam zijn voor het herstellen van de cobalaminedeficiëntie.
Cobalaminesupplementatie bij honden met chronische enteropathie (CE)
In recent onderzoek uitgevoerd door Toresson en haar collega’s (2016, 2018, 2019), bleek dat de behandeling van hypocobalaminaemie bij honden met CE met orale cobalamine toedieningen even werkzaam is als een parenterale behandeling om het serumcobalamine te verhogen naar normale concentraties. Deze beide behandelingswijzen leidden telkens tot een afname van MMZ(1), een indicatie dat beide behandelingswijzen ook op cellulair niveau werkzaam zijn (Toresson et al. 2016, 2018, 2019). Monitoring van cobalamine of MMZ is belangrijk om de werkzaamheid van de behandeling te controleren. In sommige honden zou namelijk een maandelijkse injectie van cobalamine onvoldoende zijn. Zie ook Tabel 1.
Voor de behandeling van hypocobalaminaemie bij honden met CE kan een orale supplementatie aanbevolen worden als alternatief voor parenterale injecties. De doseringen zijn in de onderstaande tabel 1 terug te vinden.
Tabel 1. Overzicht van de studies over cobalaminesupplementatie bij honden met chronische enteropathie(2)
| Toresson et al. (2016) – retrospectieve cohortstudie met 51 honden met tekens van CE en serumcobalamine ≤ 270 ng/l werden behandeld met orale cobalamine supplementatie | Toresson et al. (2018) – open, gerandomiseerd onderzoek met 53 honden met tekens van CE en serumcobalamine ≤ 285 ng/l werden oraal of parenteraal behandeld | Toresson et al. (2019) – open, gerandomiseerd onderzoek met 2 x 18 honden met tekens van CE en serumcobalamine ≤ 285 ng/l werden oraal of parenteraal behandeld waarbij de MMZ- en homocysteïneconcentraties gecontroleerd werden |
| - cyanocobalamine tablet (1 mg): per dag: ¼ tablet voor honden van 1 – 10 kg LG(3), ½ tablet voor honden > 10 - 20 kg LG en 1 tablet voor honden > 20 kg LG. Orale cobalaminesupplementatie leidde bij alle honden tot normocobalaemie (duur behandeling 20-202 dagen). | - cyanocobalamine oraal: 0,025 mg/kg per dag (honden < 20 kg LG(3)) en 1 mg/kg per dag (honden > 20 kg LG) - hydroxycobalamine parenteraal: 0,25–1,0 mg, 1x per week gedurende 6 weken, met een laatste injectie 4 weken later Supplementatie leidde in beide groepen tot een significante toename van het serumcobalamine, mediaan op D90 1244 ng/l (768-4999 ng/l) (duur van de studie 90 dagen). | - doseringen zoals in Toresson et al. (2018) Parenterale en orale toedieningen van cobalamine leidden beide tot een reductie in MMZ en homocysteïne(4), een indicatie dat beide behandelingswijzen werkzaam zijn. |
Cobalaminesupplementatie bij honden met een erfelijke vorm van cobalaminemalabsorptie (IGS)
In een kleinere studie met slechts enkele honden met IGS (6 beagles) werden de dieren maandelijks en vervolgens 2-maandelijks behandeld met 1 mg parenteraal cobalamine (Kook et al. 2018). In een tweede studie (3 beagles) werden de dieren oraal behandeld met cobalamine (Kook en Hersberger (2019). In beide studies hielden de auteurs geen rekening met de hoeveelheid serumcobalamine bij de behandelde maar klinisch gezonde honden omdat deze waarden laag of zelfs niet detecteerbaar zijn bij honden met IGS. Kook en collega’s (2018) besluiten dat op basis van de monitoring van de serum-MMA-waarden en de klinische gezondheid van de dieren, dieren 2-maandelijks behandeld kunnen worden. Alhoewel in de studies van Kook et al. (2018) en Kook en Hersberger (2019) slechts een beperkt aantal dieren onderzocht werden, ondersteunen de resultaten de hypothese dat ook bij de hond een deel van het cobalamine ook bij honden met IGS doorheen de darmwand kan diffunderen. Verder onderzoek zal nog moeten bevestigen of dit alleen voor beagles of ook voor andere hondenrassen met IGS geldt. Zie ook Tabel 2.
Tabel 2. Overzicht van de studies over cobalaminesupplementatie bij honden met IGS
| Kook et al. (2018) – open, prospectieve studie (6 beagles met IGS, 4 van 6 honden werden eerder al met cobalamine parenteraal behandeld, bij deze 4 honden lag de serumcobalaminewaarde onder de detectiewaarde van de gebruikte test (74 pmol/L), de serumcobalaminewaarde van de 2 andere honden was subnormaal.) | Kook en Hersberger (2019) – open, prospectieve studie (3 beagles met IGS die eerder parenteraal behandeld werden met cobalamine gedurende 15-21 maanden, 48 gezonde honden voor het bepalen van de referentie-intervallen van serumcobalamine en homocysteïne in het plasma en MMA in het serum en in de urine) |
| - hydroxycobalamine parenteraal: 1 mg per maand gedurende mediaan 9 maanden en daarna 1 mg per 2 maanden gedurende mediaan 5 maanden. - gezondheid en MMA-waarden werden gemonitord Parenterale cobalaminesupplementatie leidde bij alle honden tot normale MMZ-waarden, de dieren waren klinisch gezond (duur behandeling 20-202 dagen) | - cyanocobalamine oraal: 1 mg per dag gedurende 13 (2 honden) en 9 maanden (1 hond) - gezondheid en MMA- en HA-waarden Orale cobalaminesupplementatie leidde bij alle honden tot normocobalaemie en daling van MMZ en homocysteïne (duur behandeling 20-202 dagen) Voor de referentiewaarden die bij de 48 gezonde honden werden bepaald, wordt verwezen naar het artikel. |
Besluit
De bovenvermelde studies tonen aan dat bij honden met enteropathie of bij beagles met een erfelijke vorm van cobalaminemalabsorptie, zowel de orale als de parenterale behandeling met cobalamine de cobalaminedeficiëntie kunnen normaliseren en dat deze normalisatie gepaard gaat met een toename van het intracellulair cobalamine. Dierenartsen in de praktijk kunnen zich baseren op de cobalaminedosering uit deze studies om honden met cobalaminedeficiëntie parenteraal of oraal te behandelen. De werkzaamheid van de behandeling dient opgevolgd te worden.
(1) Cobalamine is in het lichaam nodig voor het functioneren van ondermeer het methylmalonzuur CoA mutase en deficiënties kunnen leiden tot de productie van methylmalonzuur (MMZ).
(2) In de studies van Toresson et al. (2016,2018, 2019) worden honden behandeld indien het serumcobalamine < 270-285 ng/l.
(3) LG: lichaamsgewicht
(4) Cobalamine is een essentiële co-factor in verschillende enzymatische reacties. Bij cobalaminegebrek worden methylmalonzuur (MMZ) en homocysteïne (HA) gevormd. Een toename van HA of MMZ in het bloed of de urine is een indicatie voor cobalaminedeficiëntie. MMZ-waarden in het bloed of de urine kunnen worden opgevolgd om het succes van de behandeling te monitoren. Bij de hond is de kennis over HA als een merker voor de monitoring van een cobalaminebehandeling eerder beperkt.
Referenties
Oral Cobalamin Supplementation in Dogs with Chronic Enteropathies and Hypocobalaminemia
Toresson L., Steiner J.M., Suchodolski J.S., T. Spillmann T. J Vet Intern Med 2016;30:101–107
https://helda.helsinki.fi/bitstream/handle/10138/166584/jvim13797.pdf?sequence=1Comparison of efficacy of oral and parenteral cobalamin supplementation in normalising low cobalamin concentrations in dogs: A randomised controlled study.
Toresson, L., Steiner, J.M., Razdan, P., Spodsberg, E., Olmedahl. G., Suchodolski, J. S., Spillmann, T., 2018. The Veterinary Journal 232,
http://eurekavet.it/wp-content/uploads/2019/04/Studio-assorbimento-vitamina-B12-1.pdfEffects of oral versus parenteral cobalamin supplementation on methylmalonic acid and homocysteine concentrations in dogs with chronic enteropathies and low cobalamin concentrations.
Toresson, L., Steiner, J. M., Spodsberg, E., Olmedal, G., Suchodolski, J. S., Lidbury, J. A.,Spillmann, T. (2019). Veterinary Journal, 243, 8-14. https://doi.org/10.1016/j.tvjl.2018.11.004Prospective long-term evaluation of parenteral hydroxocobalamin supplementation in juvenile beagles with selective intestinal cobalamin malabsorption (Imerslund-Gräsbeck syndrome).
Kook PH, Reusch CE, Hersberger M. J Vet Intern Med. 2018;32(3):1033-1040.
https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC5980559/pdf/JVIM-32-1033.pdfDaily oral cyanocobalamin supplementation in Beagles with hereditary cobalamin malabsorption (Imerslund-Gräsbeck syndrome) maintains normal clinical and cellular cobalamin status.
Kook PH, HersbergerJ Vet Intern Med. 2019 Mar;33(2):751-757. doi: 10.1111/jvim.15380. Epub 2018 Dec 15 https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC6430909/pdf/JVIM-33-751.pdf