Herpesvirose bij de duif wordt veroorzaakt door het Columbid herpesvirus 1 (CoHV-1), een virus dat tot de subfamilie van de Alphaherpesvirinae, genus Mardivirus (Marek disease like virus), behoort. Andere vogelsoorten zoals uilen of valken zijn eveneens gevoelig voor dit virus.
Besmetting gebeurt via contact met besmette dieren: duiven of vogels van andere gevoelige soorten, door consumptie van besmette dieren door roofvogels of tijdens het kropvoederen van de duivenjongen. De jongen die beschermd zijn door maternale antistoffen worden asymptomatische drager van het virus. Vooral jonge dieren van 2 – 10 weken oud, die geen immuniteit bezitten en verzwakte dieren vertonen ziektetekens zoals conjunctivitis, rhinitis, depressie en sterfte met epitheliale letsels, eventueel met dyfteroïd beleg ter hoogte van de farynx, larynx, oesophagus en krop ten gevolge van secundaire infecties.
Volwassen dieren die de ziekte doormaken vertonen nagenoeg geen symptomen al zou het virus een (beperkte) rol kunnen spelen in coryza-symptomen. In de aangetaste weefsels (epithelia, lever, pancreas, hersenen) zijn eosinofiele intranucleaire inclusielichaampjes aanwezig. Na genezing worden deze duiven latente dragers van het virus en kunnen op een later tijdstip het virus terug uitscheiden. Het merendeel van de duivenpopulatie is latent besmet.
Onder andere overbezetting van de hokken, slechte hygiëne en concurrente infecties en transport bevorderen de verspreiding en de ergheid van de ziekte.
Zie ook:
Een geïnactiveerd combinatievaccin met duivenherpesvirus, duivenparamyxovirus en pluimvee-adenovirus dat vanaf de leeftijd van 4 weken moet worden toegediend, is beschikbaar.
Het vaccin wordt geïndiceerd voor de actieve immunisatie van duiven vanaf een leeftijd van 4 weken ter:
- reductie van de ernst van klinische symptomen, grote laesies en de uitscheiding van virussen veroorzaakt door het duivenherpesvirus,
- reductie van mortaliteit, de frequentie en de ernst van klinische symptomen veroorzaakt door het paramyxovirus type 1 (PMV1) en
- reductie van de ernst van klinische symptomen en grote laesies veroorzaakt door het adenovirus (AdV), en wel van de typen 7/E, 2/D, 3/D en 4/C behorend tot subgroep I.
De timing van de vaccinatie/hervaccinatie dient gebaseerd te zijn op een risico- en batenbeoordeling door de behandelend dierenarts, met inachtneming van de prevalentie van concrete ziekten in de fokkerij en de periode met het grootste risico van overdracht van de ziekten (d.w.z. het begin van het vliegseizoen, het expositieseizoen en/of het legseizoen).