Ziekte veroorzaakt door Chlamydia (Chlamydophila) felis komt vooral voor bij katten die in groep worden gehouden. De dieren worden meestal op jonge leeftijd geïnfecteerd met C. felis. Een dergelijke aandoening resulteert aanvankelijk in een duidelijk sereuze ooguitvloei, blefarospasme, chemosis en hyperemie van de conjunctiva. De conjunctivitis kan in het beginstadium unilateraal zijn, waarbij het andere oog meestal na één tot drie weken in het ziekteproces wordt betrokken. In een verder stadium kunnen secundaire infecties met andere bacteriën optreden, waarbij de uitvloei een mucopurulent karakter krijgt. Rhinitis, gepaard gaande met neusuitvloei en niezen, kan ook deel uitmaken van het klinische beeld. Indien niet behandeld, gaat de conjunctivitis meestal spontaan over na drie tot vier weken, maar kan in bepaalde gevallen acht weken of langer persisteren. De meeste katten herstellen uiteindelijk, maar ze kunnen nadien hervallen. Bovendien kan deze kiem nog anderhalf jaar na infectie uit de conjunctiva worden geïsoleerd.
Multivalente vaccins met geïnactiveerde of levende C. felis met verschillende virale componenten.
Voor een basisenting (dieren van 8 tot 9 weken of ouder) worden twee dosissen toegediend met 3 tot 4 weken tussentijd. Bij het vaccineren dient men rekening te houden met interferentie met maternale antistoffen tot de leeftijd van ongeveer 9 weken. Hervaccinatie dient jaarlijks te gebeuren. Na vaccinatie treedt geen volledige bescherming op. De klinische tekens zijn wel aanzienlijk milder en van kortere duur bij gevaccineerde dieren en bovendien wordt de kiem minder lang geëxcreteerd.
Het vaccineren tegenover C. felis wordt vooral aangeraden voor dieren die frequent in contact komen met andere katten of in catteries waar de aandoening endemisch is.