De Wereldgezondheidsorganisatie heeft recent het einde afgekondigd van de pandemie veroorzaakt door het influenzavirus A H1N1 bij de mens. Dit virus circuleerde sinds april 2009 bij de mens en bij diverse diersoorten waaronder het varken en gedomesticeerde carnivoren. Ook al bleek achteraf dat dit virus bij de mens minder erge infecties veroorzaakte dan de seizoensgriep, werd, zoals dit steeds het geval is wanneer er een nieuw virus opduikt, ook nu gezocht naar afdoende beschermingsmethoden. Deze bescherming is gebaseerd op vaccinatie, eventueel in combinatie met antivirale behandelingen met anti-neuraminidase. De voorbije pandemie mag niet doen vergeten dat zowel bij de mens als bij gedomesticeerde en wilde dieren talrijke influenzavirussen met variabele virulentie circuleren waartegen slechts in bepaalde gevallen vaccins beschikbaar zijn.
Vaccinatie tegen influenzavirussen bij huisdieren is bedoeld om de ziekte bijvoorbeeld varkensgriep, bij het dier te voorkomen. Tijdens de pandemie met het H1N1-virus werd een andere doelstelling geopperd namelijk het vaccineren van dieren om op die manier de mens te beschermen tegen een zoönotische infectie. Tot toepassing van dit nieuwe concept is het echter niet gekomen gezien de eerder mildere gevolgen van deze pandemie voor de volksgezondheid.
Vaccinatie tegen het influenza A wordt routinematig uitgevoerd bij paarden en varkens. Vogels kunnen theoretisch ook gevaccineerd worden. Infecties met aviaire influenzavirussen H5 en H7 vallen echter onder de gereglementeerde dierenziektebestrijding en vaccinatie kan dus uitsluitend na een officiële toestemming. Honden, katten en fretten kunnen sporadisch door deze virussen geïnfecteerd worden. Vaccins voor deze diersoorten zijn niet beschikbaar. Uit serologische testen en experimentele infectiestudies blijkt dat ook het rund receptief is voor het aviaire H5N1-virus. De dieren vertonen echter geen klinische symptomen waardoor de ontwikkeling van een vaccin niet aan de orde is.
Vaccins voor het paard bevatten één of twee valenties: het H3N8-virus dat steeds aanwezig is en eventueel het H7N7-virus. Aangezien dit laatste virus sinds 1980 niet meer geïsoleerd werd bij paarden, hoeft het niet noodzakelijk in het vaccin. Regelmatig worden door een groep experten (Expert surveillance panel on equine influenza vaccines) binnen de World organisation for animal health (OIE), aanbevelingen geformuleerd aangaande de stammen die in de vaccins opgenomen moeten worden. Binnen het H3N8-subtype kunnen genetische veranderingen leiden tot het ontstaan van nieuwe stammen met verschillende antigene eigenschappen die de ontwikkeling van nieuwe vaccinvalenties vergen (Daly et al., 2004).
Sinds de uitbraak van de Spaanse griep begin vorige eeuw is varkensgriep een vertrouwde pathologie. Varkensinfluenzavirussen verschillen zowel in tijd, als in plaats. Het voortdurend vermengen en uitwisselen van genetisch materiaal (reassortment) tussen porciene, aviaire en humane virussen verhoogt daarenboven de complexiteit van de epidemiologie van influenza bij het varken. De influenzavaccins voor het varken die in België in de handel zijn, bevatten als valenties de twee subtypes die in Europa verantwoordelijk zijn voor varkensgriep: H1N1 en H3N2. De aanwezigheid van een derde subtype van dit virus, het H1N2-virus, werd voor enkele jaren in Europa vastgesteld (Van Reeth, 2007). Een vaccin dat recent in de handel werd gebracht bevat de drie valenties H1N1, H3N2 en H1N2. De huidige griepvaccins voor het varken werden ontwikkeld om de klinische gevolgen van een infectie te vermijden en niet voor een epidemiologische bescherming. Bovendien is het Euraziatische H1N1-subtype dat in de vaccins aanwezig is, verschillend van het pandemische H1N1-virus. Dit laatste virus werd trouwens nog niet aangetoond in de Belgische varkensstapel. De huidige vaccins zijn dus in geen geval geschikt om bij het varken het pandemische H1N1-virus onder controle te brengen.
Honden kunnen besmet worden met het equine H3N8 griepvirus. In tegenstelling met de situatie in Europa waar de infectie slechts sporadisch gemeld wordt, neemt het belang van deze infectie in de USA toe en wordt er reeds gesproken van ‘canine influenza’. In Azië werden bij honden zowel infecties met het aviaire H5N1-, als met het pandemische H1N1-virus vastgesteld. Vaccins tegen influenza bij de hond zijn niet beschikbaar (Dubovi en Njaa, 2008 ; Thiry et al., 2007).
Fretten zijn bijzonder receptief en gevoelig voor het influenza A virus en worden daarom als onderzoeksmodel gebruikt. Fretten kunnen geïnfecteerd worden met humane griepvirussen. Infecties met het pandemische H1N1-virus werden in 2009 in de USA gemeld. Voor fretten zijn geen influenzavaccins beschikbaar (Thiry et Zicola, 2010).
Katten zijn een belangrijke gastheer voor influenzavirussen. Dit feit werd voor het eerst erkend tijdens de vogelgriepepidemie. Experimentele infecties met de subtypes H3N2, H2N2, H7N3 of H7N7 leidden tot excretie van het virus zonder klinische symptomen. Tijdens de vogelgriepepidemie in Azië werden bij katten en ook bij grotere katachtigen vaak letale infecties vastgesteld. Infectie en ziekte konden experimenteel worden veroorzaakt. Tijdens de verspreiding van het pandemische influenza A H1N1 werd zowel in de USA, als in Europa, het virus bij katten vastgesteld. Ook voor deze diersoort is er geen influenzavaccin beschikbaar. Toch werden er meerdere experimentele vaccinaties uitgevoerd: immunisatie van katten tegen het H5N1-virus met een vogelpokkenvirusvector Trovac (Trovac AIV-H5®) of met een caniene adeno-2-virusvector. Beide vectoren brengen het hemagglutinine H5 tot expressie en de vaccins induceren bij de kat antihemagglutinine-antistoffen. Recent werden in een vollediger onderzoek katten geïmmuniseerd met een geïnactiveerd, geadjuveerd vaccin (aviair H5N6) dat bescherming bood tegen infectie met het letale H5N1-virus (Thiry et Zicola, 2010 ; Thiry et al., 2007).
Tabel 1: Aangetoonde gevoeligheid van huisdieren voor influenza A-virussen en beschikbare vaccins
| Diersoort | Influenza A-virus (subtypes) | Vaccin in de handel |
| Pluimvee | Potentieel alle subtypes van influenza A-virus; vooral aviaire influenzavirussen H5 en H7 | vaccinatie kan enkel in kader van gereglementeerd dierziektebestrijding |
| Varken |
H1N1 (Euraziatisch type) H3N2 H1N2 |
x x x |
| Paard |
H3N8 H7N7 (circuleert momenteel niet) |
X X |
| Kat |
H3N2, H2N2, H7N3 en H7N7 pandemische H1N1 H5N1 (aviaire influenza A) |
|
| Hond |
H3N8 (variant van het paardenvirus) H5N1 (aviair influenza A) |
|
| Rund |
H5N1 (aviaire influenza A) |
|
| Fret |
humane griepvirussen, bv. pandemische H1N1 H5N1 (aviaire influenza A) |
Referenties
- Daly J.M., Newton J.R., Mumford J.A. Currrent perspectives on control of equine influenza. Vet. Res., 2004, 35, 411-423.
- Dubovi E.J., Njaa B.L. Canine influenza. Vet Clin North Am Small Anim Pract. 2008, 38, 827-835.
- Thiry. E., Zicola A. La grippe féline ou l’infection du chat par les virus influenza. Point Vét., 2010, sous presse.
- Thiry E., Zicola A., Addie D., Egberink H., Hartmann K., Lutz H., Poulet H., Horzinek M.C. Highly pathogenic avian influenza H5N1 virus in cats and other carnivores. Vet. Microbiol., 2007, 122, 25-31.
- Van Reeth K. Avian and swine influenza viruses: our current understanding of the zoonotic risk. Vet Res. 2007, 38, 243-260.