Het West-Nijlvirus is een arbovirus van de familie van de Flaviviridae. De vectoren voor dit RNA-virus zijn mugjes van het genus Culex. Vogels vormen het reservoir voor dit virus. Het virus kan vele diersoorten infecteren, in het bijzonder de mens en het paard bij dewelke ziekte kan optreden met, naargelang het geval, milde symptomen tot dodelijke encefalitis. Het virus kan met trekvogels in een nieuw gebied geïntroduceerd worden. Via besmette mugjes kunnen zoogdieren en de mens geïnfecteerd worden. Mensen en paarden zijn toevallige gastheren. De viraemie is bij niet-vogels te gering om muggen te infecteren (zgn. dead-end hosts). Symptomen na infectie worden voornamelijk bij het paard gezien, zij het slechts bij 10 % van de geïnfecteerde paarden. Symptomen kunnen acuut of gradueel optreden. Klinische tekens zijn deze van een voortschrijdende encefalomyelitis met spierzwakte, incoördinatie en ataxie, parese en paralyse van de achterhand en vervolgens van de vier poten, die uiteindelijk kan evolueren tot een fatale encefalitis.
Deze ziekte is aangifteplichtig.
Er zijn twee vaccins beschikbaar; een geïnactiveerd vaccin en een recombinant vaccin. Het geïnactiveerd vaccin bevat geïnactiveerd West-Nijlvirus VM-2-stam, afkomstig van een Amerikaans isolaat dat ook beschermt tegen wild-types van het virus die in Europa voorkomen. Het recombinant vaccin bevat recombinant canarypoxvirussen die als vector de genen preM en E van het West Nile virus tot expressie brengen.
Het vaccin is geïndiceerd voor de actieve immunisatie van paarden vanaf de leeftijd van 5 of 6 maanden (volgens het vaccin) tegen de ziekte veroorzaakt door het West-Nijlvirus, door vermindering van het aantal viraemische paarden. Het vaccin vermindert en voorkomt klinische symptomen bij gevaccineerde dieren. Na vaccinatie kan ter hoogte van de injectieplaats een matige zwelling voorkomen die na 1 tot 2 dagen spontaan verdwijnt. In een aantal gevallen kan hyperthermie voorkomen gedurende 2 dagen na vaccinatie.
Interferentie van de vaccinatie met epidemiologische bewakinsprogramma’s is afhankelijk van de onderzoeksmethode. Aangezien er geen levende viruspartikels aanwezig zijn in de vaccins en aangezien het gehalte aan virus-RNA zeer laag of onbestaande is, is er geen interferentie met een PCR-onderzoek. Wanneer seroprevalentie gebaseerd is op het aantonen van IgM-antistoffen die aanwezig zijn bij natuurlijke infecties maar niet bij vaccinatie is er eveneens weinig interferentie. Wanneer de seroprevalentie gebaseerd is op het aantonen van IgG is de interferentie echter groter.