Folia Veterinaria

Belgisch farmacovigilantierapport - 2019

datum publicatie: 30-03-2020
Doeldier
hond
kat
rund
varken
paard niet-voedselprod
paard voedselprod
konijn niet-voedselprod
konijn voedselprod
kip
geit
fret
Topics
Farmacovigilantie
Rapporten

Farmacovigilantie of geneesmiddelenbewaking is de continue monitoring van de baten-risicobalans van diergeneesmiddelen nadat ze op de markt gebracht zijn. Het is een onmisbare schakel van procedures die garant staat voor kwaliteitsvolle, veilige en werkzame geneesmiddelen.

Wat is geneesmiddelenbewaking?

Op het moment dat een geneesmiddel of een diergeneesmiddel (1) in de handel gebracht wordt, is de informatie over bijwerkingen bij het dier of de mens nog onvolledig. Het is niet ondenkbaar dat zeldzamere bijwerkingen of bijwerkingen die optreden onder invloed van bepaalde factoren slechts opgemerkt worden nadat het diergeneesmiddel in de praktijk gebruikt wordt. Het Europees Geneesmiddelenagentschap (EMA) en de EU-lidstaten evalueren bijwerkingen van elk diergeneesmiddel dat in de handel is en evalueren de invloed van deze bijwerkingen op de baten-risicobalans van het (dier)geneesmiddel.

Hiervoor zijn ze in belangrijke mate afhankelijk van dierenartsen, officina-apothekers en eigenaars die vermoedelijke bijwerkingen van diergeneesmiddelen melden bij de vergunninghouder van het diergeneesmiddel of bij het Federaal Geneesmiddelenagentschap (FAGG).

Indien uit deze monitoring blijkt dat de baten-risicobalans van een diergeneesmiddel gewijzigd is, dan kunnen maatregelen getroffen worden zoals het wijzigen of aanpassen van de productinformatie (bijsluiter, SPK), om de kwaliteit, werkzaamheid en veiligheid van het diergeneesmiddel te kunnen blijven verzekeren. In extreme gevallen kan beslist worden om de vergunning voor het in de handel brengen van het diergeneesmiddel te schorsen, een risicobeheerplan in te stellen of de vergunning in te trekken.

Hieronder volgt een beknopt overzicht van het aantal en de aard van de meldingen met diergeneesmiddelen die in 2019 naar het FAGG werden verzonden (2). Het overzicht geeft de ruwe data weer uit de ontvangen meldingen. Voor elke melding wordt in een volgende fase nagegaan welk verband er is tussen het gebruik van het diergeneesmiddel en de opgetreden bijwerking. Op het einde van dit artikel wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste veiligheidsadviezen die in 2019 door het EMA getroffen werden. Er kan enige tijd kan verlopen vooraleer de bepalingen uit de opgesomde veiligheidsadviezen van het EMA in de bijsluiter worden opgenomen.

Totaal aantal meldingen: 491 (564 in 2018; 544 in 2017)

Een melding is een verklaring van één of meerdere potentiële bijwerkingen aan de betrokken overheid of de vergunninghouder van het diergeneesmiddel.

Meldingen bij de mens en per diersoort

img
Figuur 1: Aantal meldingen bij de mens en bij de verschillende huisdieren.

Honden, katten, runderen en varkens komen als diersoort het meeste voor in de meldingen.
Meldingen voor andere diersoorten zoals konijnen (20), paarden (13) en kippen (10) zijn zeldzamer. Voor geiten en fretten werden er telkens slechts 2 meldingen gedaan. Het aantal meldingen die de mens betreffen, is opmerkelijk.

Aantal geëvalueerde diergeneesmiddelen per ATCvet-groep

Voor elke melding wordt het verband nagegaan tussen het gebruik van het diergeneesmiddel en het optreden van de vermoedelijke bijwerking. De verdeling van geëvalueerde diergeneesmiddelen per ATCvet-groep (3), zonder daarbij rekening te houden met het causaal verband, is weergegeven in de bijgevoegde Tabel 1.

Tabel 1: De verdeling van geëvalueerde diergeneesmiddelen per ATCvet-groep, zonder rekening te houden met het causaal verband.
Tabel 1: De verdeling van geëvalueerde diergeneesmiddelen per ATCvet-groep, zonder rekening te houden met het causaal verband.

In 2019 ging het in de meeste meldingen over immunologische middelen. Deze groep vormt samen met de antiparasitaire en neurologische middelen de top 3. Er wordt opgemerkt dat het net deze middelen zijn die het meest gebruikt worden in de diergeneeskunde. Dit betekent dan ook dat dit type producten niet noodzakelijk gevaarlijker is dan andere.

img
Figuur 2 : De verdeling van de verschillende diergeneesmiddelen per ATCvet-groep verschilt naargelang de diersoort

Meldingen bij de mens

mensIn een groot aantal meldingen ging het over bijwerkingen die optraden na contact van een diergeneesmiddel met de huid of slijmvliezen, waarbij vooral oogirritaties gemeld werden.
Het gaat dan zowel over antiparasitaire, immunologische als antibacteriële middelen. Prikaccidenten (11) werden vaak gemeld voor immunologische en antibacteriële middelen.  Om dergelijke ongelukken te voorkomen dienen personen die deze producten aan een dier toedienen rekening te houden met de veiligheidsvoorschriften die in de productinformatie van het diergeneesmiddel zijn opgenomen.
Een accidentele, orale opname van een diergeneesmiddel door de eigenaar van de dieren kwam relatief vaak voor (19 meldingen).

 

Meldingen bij de hond

hondBij de hond waren er vooral meldingen voor immunologische (100), antiparasitaire (67), neurologische (26) middelen en middelen met invloed op het bewegingsstelsel (19). Tot deze laatste groep behoren o.a. de ontstekingsremmers.

Voor de immunologische middelen werden de meeste meldingen gedaan in verband met het vaccin Nobivac L4® (22), gevolgd door Nobivac DHP® (12). Allergische reacties zijn hierbij de meest gemelde bijwerkingen.
In vergelijking met 2018 daalde het aantal meldingen met het product Bravecto® van 20 naar 5. Voor antiparasitaire middelen waarbij vooral uitwendig toe te dienen diergeneesmiddelen betrokken waren, werden vooral apathie, anorexia, ataxie en gebrek aan werkzaamheid vermeld.

Voor neurologische producten werden vooral ataxie maar ook cardiovasculaire problemen en slaperigheid vermeld. In de groep met middelen met invloed op het bewegingsstelsel werden vooral gastro-intestinale bijwerkingen opgemerkt.

Meldingen bij de kat

katMeldingen bij de kat gingen het vaakst over antiparasitaire (57), immunologische (30) en neurologische (19) middelen.

Zoals reeds in de voorafgaande jaren werd vastgesteld, werden ook in 2019 heel wat (16) bijwerkingen van antiparasitaire middelen bij de kat gemeld na het toedienen van producten bestemd voor de hond. Neurologische reacties (ataxie, tremor, convulsies), overmatig speekselen en lokale reacties ter hoogte van de toedieningsplaats kwamen het vaakst voor. In veel van deze gevallen ging het om producten met permethrine (11). Opvallend is ook het relatief hoog aantal keer (5) dat de eigenaar een spot-on oraal toediende.
Koorts en lokale reacties ter hoogte van de injectieplaats zijn de meest voorkomende bijwerkingen die gemeld worden voor immunologische middelen.

In tegenstelling tot de bijwerkingen die voor honden en katten gemeld werden, werden voor nutsdieren vooral ernstige bijwerkingen gemeld zoals sterfte, abortus, anafylactoïde reacties of shock. Ook gebrek aan werkzaamheid werd relatief vaker gemeld bij nutsdieren en dit vooral voor immunologische en antibacteriële middelen.

Meldingen bij het rund

rundBij het rund werden vooral voor immunologische (39) en antibacteriële/antimycotische (10) middelen meldingen gedaan. Bij het merendeel van de meldingen met vaccins, ging het om meldingen van gebrek aan werkzaamheid (20 van de 39). Ook voor antibacteriële middelen wordt er vaak een gebrek aan werking opgegeven (4 van de 10).

Meldingen bij het varken

varkenVan de in totaal 57 geëvalueerde producten voor het varken waren er 41 immunologische middelen. Voor 31 van de 41 vermelde immunologische producten werd een gebrek aan werkzaamheid gemeld.

 

Meldingen bij het paard

paardVoor het paard werden relatief weinig meldingen (13) gemaakt, de meeste gingen over neurologische (7) middelen. Daarnaast werden eveneens meldingen gedaan voor antiparasitaire (3), immunologische (3), antibacteriële middelen (2) en middelen voor het bewegingsstelsel (3).

Meldingen bij het konijn

konijnVan de in totaal 25 geëvalueerde producten voor het konijn ging het in 24 gevallen over een immunologische middel. In 17 gevallen ging het hierbij om Nobivac Myxo RHD® waarbij in 10 gevallen een gebrek aan werkzaamheid gemeld werd.

Meldingen bij de kip

kipBij de meldingen die werden gemaakt waren 16 immunologische middelen betrokken en 1 antibacterieel middel. In de meldingen voor de immunologische middelen waren steeds meerdere immunologische producten opgesomd en ging het meestal over een gebrek aan werkzaamheid (8/9 meldingen).

 

Meldingen bij overige diersoorten

In de 2 meldingen bij geiten was er sprake van neurologische symptomen en sterfte van een dier als gevolg van het gebruik van fipronil-sprays.
In één van de twee meldingen over fretten ging het om bijwerkingen die ontstonden na gebruik van een antiparasiticum bestemd voor de kat.

De baten-risicobalans van een diergeneesmiddel kan wijzigen na verloop van tijd.

Geneesmiddelenbewaking is, voorlopig nog (4), gebaseerd op 2 processen:Wat gebeurt er met al deze meldingen?

  1. Periodieke veiligheidsverslagen (PSUR): een overzicht van de gerapporteerde bijwerkingen over een bepaalde periode die samengevat worden door de registratiehouder en dat door de bevoegde overheden wordt geëvalueerd.
  2. Signaaldetectie en -management: het continue monitoren van bijwerkingen door de nationale overheden en het EMA

Verdachte signalen worden verder geanalyseerd en voor een aantal producten gaf dit aanleiding tot het aanpassen van de bijsluiter (zie verder). Voor andere signalen was de conclusie dat er geen verband was met het product of dat ze binnen het profiel van het product pasten.

Feedback voor de gebruiker van het diergeneesmiddel

Zowel het Europees Geneesmiddelenagentschap, als het Belgische geneesmiddelenagentschap FAGG publiceren overzichtsrapporten over geneesmiddelenbewaking. Ook het BCFIvet informeert regelmatig over geneesmiddelenbewaking in de Folia Veterinaria op deze website.
Deze artikels werden vorig jaar op onze website gepubliceerd:

Hieronder worden de belangrijkste veiligheidsadviezen die in 2019 door het EMA getroffen werden opgesomd (5) (EMA, 2020)

Bravecto®:
Voeg aan de bijsluiter bijkomende informatie toe over mogelijke bijwerkingen na toediening van Bravecto® zoals bijkomende neurologische tekens.

Bravecto Plus®:
Voeg aan de bijsluiter van Bravecto Plus® speciale voorzorgsmaatregelen en een waarschuwing toe om de veiligheid van de persoon die het product manipuleert en toedient te verzekeren en voeg informatie toe over mogelijke bijwerkingen zoals neurologische tekens.

Broadline®:
Pas de productinformatie aan met mogelijke bijwerkingen die na toediening van Broadline® kunnen optreden en die het gezichtsvermogen kunnen aantasten.

Coxevac®:
Voeg bijkomende informatie toe aan de bijsluiter over mogelijke bijwerkingen die kunnen optreden na toediening van Coxevac® zoals systemische reacties.

Credelio®:
Voeg bijkomende informatie toe aan de bijsluiter over mogelijke bijwerkingen die kunnen optreden na toediening van Credelio® zoals neurologische reacties.

Cytopoint®:
Voeg bijkomende informatie toe aan de bijsluiter over mogelijke bijwerkingen die kunnen optreden na toediening van Cytopoint® zoals neurologische reacties.

Draxxin®:
Pas de productinformatie van Draxxin® aan met bijkomende speciale voorzorgen voor het gebruik bij dieren.

Eravac®:
Pas de productinformatie aan met mogelijke bijwerkingen zoals lethargie en of anorexia.

Letifend®:
Pas de productinformatie aan met mogelijke bijwerkingen zoals lethargie, braken, diarree en hyperthermie.

Nexgard Spectra®:
Voeg informatie toe aan de bijsluiter over mogelijke bijwerkingen die kunnen optreden na toediening van Nexgard Spectra® zoals erythema en neurologische tekens.

Osurnia®:
Pas de informatie uit de bijsluiter aan in verband met speciale voorzorgen in verband met het off-label gebruik bij katten.

Simparica®/Mipet Easecto®:
Verduidelijk de informatie in de bijsluiter over mogelijke bijwerkingen die kunnen optreden na toediening van Simparica® en MiPet Easecto® (niet in de handel in B) in verband met neurologische tekens.

Suprelorin®:
Wijziging in de bijsluiter van mogelijke bijwerkingen die kunnen optreden na toediening van Suprelorin® in verband met gewichtstoename en neurologische tekens.

Zycortal®:
Voeg bijkomende informatie toe aan de bijsluiter over mogelijke bijwerkingen zoals een lokale reactie ter hoogte van de injectieplaats.

Een continue monitoring van de kwaliteit en de baten-risicobalans van een diergeneesmiddel is in belangrijke mate afhankelijk van meldingen die door dierenartsen, officina-apothekers, gezondheidswerkers, eigenaars of verzorgers van de dieren gedaan worden. Alleen door zoveel mogelijk bijwerkingen te melden, kan de kwaliteit, de werkzaamheid en de veiligheid van een diergeneesmiddel gegarandeerd blijven.

Vermoedelijke bijwerkingen van geneesmiddelen kan u elektronisch melden door gebruik te maken van het PharmVig-formulier.


1. Omdat in dit artikel een overzicht gegeven wordt van de geneesmiddelenbewaking in de diergeneeskunde in 2019, zal voor de eenvoud in dit artikel steeds diergeneesmiddel gebruikt worden.

2. Meldingen kunnen zowel aan de vergunninghouder van het diergeneesmiddel, als aan het federaal geneesmiddelenagentschap FAGG verzonden worden (zie Fig. 3 hieronder). In dit artikel worden de meldingen besproken die rechtstreeks naar het FAGG verzonden werden en de meldingen van ernstige bijwerkingen die de vergunninghouder verplicht is om, binnen de 15 dagen na ontvangst, naar het FAGG door te sturen.

3. De classificatie van geneesmiddelen gebeurt op basis van de ATC Vet code (Anatomical Therapeutic Chemical Classification System for veterinary medicinal products). Dit is een systeem voor de classificatie van de stoffen met een therapeutische werking die in diergeneesmiddelen aanwezig zijn. De classificatie is gebaseerd op de anatomische regio waar de werking verwacht wordt en de therapeutische en chemische eigenschappen van de stof.

4. Door de nieuwe Europese diergeneesmiddelenwetgeving waaronder ook de geneesmiddelenbewaking valt, zal de geneesmiddelenbewaking in de diergeneeskunde aangepast worden. Deze nieuwe wetgeving zal op 28 januari 2022 van kracht zijn.

5. Er kan enige tijd kan verlopen vooraleer de bepalingen uit de opgesomde veiligheidsadviezen van het EMA in de bijsluiter worden opgenomen.

 

img
Figuur 3: Bijwerkingen van diergeneesmiddelen die vastgesteld worden bij het dier, de mens of het leefmilieu kunnen gemeld worden.

De eigenaars of verzorgers van een dier kunnen vermoedelijke bijwerkingen het eenvoudigst melden bij de dierenarts, die deze meldingen door kan geven aan de vergunninghouder of het FAGG. De eigenaars of verzorgers kunnen echter ook deze meldingen rechtstreeks naar het FAGG of de vergunninghouder zenden. Dierenartsen, officina-apothekers kunnen bijwerkingen melden bij ofwel de vergunninghouder, ofwel het FAGG. Meldingen aan het FAGG kunnen via het onlineformulier PharmVig. Vergunninghouders moeten op regelmatige basis de meldingen doorgeven aan het FAGG, ernstige bijwerkingen moeten binnen de 15 dagen na ontvangst gemeld worden bij het FAGG.


Referentie

EMA, 2020 : EMA 2020 : overview of its key recommendations of 2019