Het pathogene agens van hondenziekte (Ziekte van Carré of distemper) is een morbillivirus (CDV). De ziekte neemt verschillende klinische vormen aan, dikwijls met zenuwsymptomen, die dodelijk kunnen zijn. Tijdens de acute fase van deze infectie kan immunodepressie optreden. Vaccinatie is dus onontbeerlijk bij pups. Zie ook “Essentiële vaccins van de hond”.
De hondenziektevalentie komt uitsluitend voor in bivalente vaccins (met parvovirus) en multivalente vaccins. Het vaccin tegen hondenziekte bevat een levend verzwakt virus.
Het hondenziektevirus behoort samen met hondenparvovirus en het CAV-2-virus tot de zogenaamde basisvaccins die elke hond moet krijgen.
Afhankelijk van het vaccin en de infectiedruk kan dit reeds op de leeftijd van 4 à 6 weken, maar voor de meeste vaccin is dit rond 7 à 9 weken. De vaccinatie wordt daarna om de 2 à 4 weken herhaald tot een leeftijd van (naargelang het vaccin) 12 à 16 weken. Dit is de leeftijd waarop bij de meeste dieren de maternale immuniteit voldoende laag is en de vaccinatie zal leiden tot de opbouw van een eigen, actieve immuniteit. Voor de meeste vaccins is een eerste herhalingsvaccinatie na 1 jaar aangeraden. Naargelang het vaccin kan vervolgens jaarlijks of driejaarlijks gevaccineerd. De WSAVA-richtlijnen (2024) raden een vroegere hervaccinatie aan op 26 weken (i.p.v. 1 jaar na de basisvaccinatie). Zie ook “Essentiële vaccins van de hond”.
Bij volwassen dieren biedt één injectie met het vaccin bescherming.
Regelmatige hervaccinaties, voor bepaalde vaccins driejaarlijkse hervaccinaties, worden aanbevolen om bescherming te bieden.