Daar kennelhoest een epidemische, multifactoriële respiratoire aandoening is, is het moeilijk deze aandoening te voorkomen. Naast Bordetella bronchiseptica fungeren het hondenadenovirus 2 (CAV2) en het hondenparainfluenzavirus (CPIV) gedeeltelijk als etiologische factoren. Kennelhoest wordt gekarakteriseerd door een zelf-limiterende droge hoest. Algemene klinische tekens zoals anorexie, koorts en sufheid kunnen eventueel ook worden opgemerkt, vooral dan bij jonge dieren. Deze aandoening komt vooral voor op plaatsen waar veel honden op een relatief kleine ruimte worden samengebracht, maar kan ook individuele dieren treffen. In kennels steken de klinische tekens meestal rond de leeftijd van zes tot zeven weken de kop op, hoewel ze soms reeds aanwezig zijn op jongere leeftijd (drie tot vier weken).
Er bestaan geïnactiveerde en geattenueerde vaccins. Monovalente vaccins tegen Bordetella bronchiseptica, multivalente vaccins van Bordetella bronchiseptica gecombineerd met parainfluenzavirus en multivalente vaccins met parainfleunzavirus gecombineerd met andere valenties. Naast vaccins voor injectie zijn er eveneens intranasale vaccins en een oraal vaccin beschikbaar.
Multivalente vaccins die voor primo- en hervaccinatie gebruikt worden, bieden een eerste bescherming. Deze kan worden verbeterd door bijkomende vaccinatie met mono- of bivalente vaccins die het hondenparainfluenzavirus en/of Bordetella bronchiseptica bevatten.
Geïnactiveerde vaccins kunnen na parenterale toediening minstens een gedeeltelijke bescherming induceren. Een primovaccinatie bestaat uit twee inspuitingen met een tussentijd van twee tot drie weken. De herinenting moet jaarlijks gebeuren. Het is belangrijk rekening te houden met de mogelijkheid van interferentie met de maternale immuniteit. Bij pups van gevaccineerde moeders kan de 1ste inspuiting gebeuren vanaf de 6de levensweek. Bij pups van niet-gevaccineerde moeders, kan de 1ste inenting gegeven worden vanaf de 4de levensweek.
De geattenueerde intranasale vaccins of het orale vaccin worden, naargelang het vaccin, toegediend vanaf een leeftijd van 3 of 8 weken, ongeacht de maternale immuniteit. Een éénmalige toediening is voldoende. Het toedienen van antibiotica net voor of tot 1 week na de vaccinatie heeft een negatief effect op de werking van het vaccin waardoor de vaccinatie herhaald moet worden. Intranasaal gevaccineerde dieren kunnen de Bordetella bronchiseptica-vaccinstam gedurende 6 weken of langer na vaccinatie uitscheiden en de hondenparainfluenza-vaccinstam gedurende enkele dagen na vaccinatie.
Deze vaccins worden vooral gebruikt bij honden die in groep geplaatst worden zoals in een pension of een hondenfokkerij. Het is dus noodzakelijk het volledige vaccinatieprotocol uit te voeren en de nodige termijn voor het op gang brengen van de bescherming te respecteren, vooraleer de dieren samengebracht worden.