Folia Veterinaria

Vaccinatierichtlijnen voor honden en katten - 2024

datum publicatie: 19-12-2024
Doeldier
hond
kat
Indicatie
vaccinatie
Actief bestanddeel
parvovirus (Ca) CPV
hondenziektevirus CDV
adenovirus - hepatitisvirus (Ca)
para-influenzavirus (Ca) CPIV
parvovirus - panleukopenievirus (Fe) - FPV
rhinotracheïtisvirus (Fe)- FHV-1
calicivirus (Fe) - FCV
leukemievirus (Fe)
infectieuze peritonitis (Fe) FIPV
rabiësvirus
Leptospira spp. (Ca)
Topics
Vaccinatie
Richtlijnen

Na een eerste publicatie in 2007 en updates in 2010 en 2016 (zie ook Folia-artikel), publiceerde de World Small Animal Veterinary Association (WSAVA) recent een nieuwe update van haar vaccinatierichtlijnen voor honden en katten (1).

De belangrijke wijzigingen in deze richtlijnen ten opzichte van de vorige editie zijn:

  • Na de basisvaccinatie met essentiële vaccins wordt de eerste herhalingsvaccinatie rond de leeftijd van 26 weken gegeven.
  • Vaccins tegen rabiës en leptospirose zijn als essentiële vaccins te beschouwen in gebieden waar deze ziekten endemisch zijn. Voor België zijn leptospirosevaccins als essentiële vaccins te beschouwen, rabiësvaccins niet. Opgelet, rabiësvaccinatie is steeds verplicht voor dieren die naar het buitenland reizen of België inkomen vanuit een ander land.

Kernboodschap van deze WSAVA-richtlijnen

  • Vaccineer alle honden en katten met de essentiële vaccins (core vaccines) (zie Tabel 1), enerzijds om het individu te beschermen tegen levensbedreigende ziekten en anderzijds om een populatie-immuniteit (herd immunity) te creëren die het risico op ziekte-uitbraken beperkt. 
  • Dien niet-essentiële vaccins (non-core vaccines) toe naargelang de levensstijl van het dier en het voorkomen van het pathogeen in kwestie in zijn leefgebied.
  • Bewaar vaccins steeds op een correcte manier en vaccineer uitsluitend wanneer vaccinatie nodig is.

De WSAVA-richtlijnen kort samengevat

In dit artikel worden de volgende afkortingen gebruikt: CPV: caniene parvovirus, CDV: caniene distemper virus, CAV: caniene adenovirus, CPiV: caniene para-influenzavirus, FPV: feliene parvovirus, FHV: feliene herpesvirus, FCV: feliene calicivirus, FeLV: feliene leukemievirus.

Alle puppy’s en kittens worden zo snel mogelijk gevaccineerd met essentiële vaccins.

Maternale antistoffen (matAs) interfereren met het vaccinvirus, ook tijdens de zgn. window of susceptibility (ook immunity gap genoemd) wanneer het niveau van deze matAs te laag is om het dier te beschermen tegen infectie of ziekte met het wildtype virus. Het tijdstip waarop de matAs voldoende laag zijn om toe te laten dat de pup of kitten na vaccinatie een actieve immuniteit opbouwt, varieert sterk zowel in een nest, als tussen de nesten. De basisvaccinatie bij zeer jonge dieren (< 26 weken) bestaat daarom uit meerdere inentingen: om de 3-4 weken bij pups en om de 2-4 weken bij kittens. Hoe korter het interval tussen opeenvolgende vaccinaties, hoe korter de periode zal zijn waarin de dieren gevoelig zijn voor infectie en ziekte met het wildtype virus. 
De laatste inenting* wordt toegediend na de leeftijd van 16 weken. Op deze leeftijd zal bij de meeste honden en katten het niveau van de matAs voldoende laag zijn om niet meer met het vaccinvirus te interfereren. Bij een klein aantal dieren zullen de matAs ook op de leeftijd van 16 weken nog te hoog zijn en de opbouw van een actieve immuniteit beletten. Om ook deze dieren zo snel mogelijk te beschermen, wordt de eerste herhalingsvaccinatie op de leeftijd van 26 weken toegediend (voorheen 6 maanden tot 1 jaar na de basisvaccinatie). 

*Wanneer de eerste dosis van een geïnactiveerd vaccins, bv. vaccins tegen leptospirose, toegediend werd binnen de ‘window of susceptibility’ van het dier (meestal < 16 weken) zal het dier niet geprimed worden en zal de 2de dosis (booster) het dier niet immuniseren. Zowel de primer als de booster moeten dan op 16 weken of ouder herhaald worden.

Een vaccin tegen CPV en CDV gebaseerd op een recombinant, chimerisch parvovirus (CPV-2c en CPV-2) is in de handel (Red.: dit vaccin is ook in ons land beschikbaar). Dit vaccin overstijgt de matAs beter dan de klassieke vaccins en kan vanaf de leeftijd van 4 weken toegediend worden. 

Voor de basisvaccinatie van volwassen dieren (> 6 maanden) met essentiële, geattenueerde vaccins volstaat 1 dosis voor CPV, CDV, CAV bij honden en FPV bij katten. De basisvaccinatie voor volwassen katten voor FHV en FCV bestaat uit 2 x 1 dosis

De herhalingsvaccinaties met essentiële vaccins voor honden worden om de 3 jaar aanbevolen. Voor de herhalingsvaccinaties voor katten tegen niesziekte (FCV en FHV) kan rekening gehouden worden met het infectierisico waarbij katten met een hoger risico jaarlijks gevaccineerd worden en katten met een lager risico driejaarlijks. De herhalingsvaccinatie van katten met geattenueerde FPV-vaccins kan 3-jaarlijks. (Red.: in België is er een bivalent niesziekte vaccin in de handel waardoor een jaarlijkse niesziektevaccinatie (FHV+FCV) en een drie-jaarlijkse parvovaccinatie (met een trivalent vaccin tegen FPV+ FHV+FCV) mogelijk is.

Voor CDV, CPV, CAV en FPV kan bij dieren van 20 weken en ouder en tenminste 4 weken na de vaccinatie, de immuniteit gecontroleerd worden met een serologisch onderzoek. Laboratoriumonderzoek is nog steeds de gouden standaard, al bestaan er ook gevalideerde testkits die in de praktijk of het asiel gebruikt kunnen worden. 

WSAVA is er zich van bewust dat haar richtlijnen, met name het basisvaccinatieschema bij jonge dieren en de frequentie van herhalingsvaccins, kunnen afwijken van de informatie in de bijsluiter/SKP van de beschikbare vaccins en dat dierenartsen, bijvoorbeeld in de EU, een wettelijke verplichting kunnen hebben om vaccins (en andere diergeneesmiddelen) volgens hun bijsluiter/SKP te gebruiken. 

Bepaalde vaccins worden niet aanbevolen: geïnactiveerde parvovirusvaccins en vaccins tegen het caniene coronavirus bij honden en vaccins tegen feliene infectieuze peritonitis (FIP) bij katten. Vaccins tegen Microsporum canis en Giardia spp. worden noch bij honden, noch bij katten aanbevolen. Van deze niet-aanbevolen vaccins is enkel een vaccin tegen FIP in België beschikbaar. WSAVA oordeelt dat er te weinig wetenschappelijk bewijs is om aan te nemen dat dit vaccin in de praktijk een klinisch relevante bescherming biedt.  

Deze richtlijn maakt ook aanbevelingen voor de vaccinatie van honden en katten in asielen. Hierbij wordt rekening gehouden met de specifieke omstandigheden en de financiële beperkingen van deze instellingen. In principe dient de vaccinatietoestand van elk dier bij aankomst in het asiel, gecontroleerd te worden in het vaccinatieboekje indien beschikbaar of eventueel via sneltesten. De dieren moeten minstens gevaccineerd zijn of zo snel mogelijk gevaccineerd worden, met de essentiële vaccins. Indien financieel haalbaar, kunnen deze vaccinaties herhaald worden en kunnen niet-essentiële vaccins hieraan toegevoegd worden.

De richtlijnen bespreken ook bijwerkingen na vaccinatie zoals het gebrek aan werkzaamheid dat ontstaat door een slechte bewaring (te warm, te koud) of een slechte reconstitutie van het vaccin. Lokale reacties (pijn en zwelling ter hoogte van de injectieplaats) en systemische reacties (lethargie, anorexia, braken, koorts) worden het vaakst opgemerkt. Urticaria en anafylactische reacties worden minder vaak vastgesteld.

Vermoedelijke bijwerkingen melden helpt om de aard en het aantal van deze en andere bijwerkingen in kaart te brengen.

Vervolgens wordt ook ingegaan op de vraag of kleinere honden meer bijwerkingen vertonen na vaccinatie dan grotere honden en of een kleinere vaccindosis hierop het antwoord kan zijn. Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat het aantal bijwerkingen bij kleinere honden mogelijks niet groter is maar eerder rasgebonden zou zijn bij Franse buldoggen, Boston terriërs en teckels en bij kleine honden (<5 kg) waaraan meerdere vaccins gelijktijdig toegediend werden. Meer onderzoek is zeker nodig maar voorlopig houden de richtlijnen vast aan de voorschriften die in de bijsluiters/SKP’s worden gegeven, dus eenzelfde standaarddosis, ongeacht het ras of lichaamsgewicht van de hond

Alhoewel de pathogenese van FISS (feline injection site sarcoma’s) bij katten nog steeds onduidelijk is, zouden vaccins en vooral geadjuveerde vaccins hierin een rol kunnen spelen. De richtlijnen raden aan om subcutane vaccinaties niet tussen de schouderbladen maar ter hoogte van het distale deel van de achterpoten te geven omdat de behandeling van FISS op deze locatie succesvoller zou zijn.

Deze richtlijnen kunnen als basis gebruikt worden om vaccinatieschema’s op te stellen die aangepast zijn aan de locatie, levenswijze en functie van het dier. 

In Tabel 1 wordt het WSAVA-vaccinatieschema voor honden en katten samengevat.

WSAVA-vaccinatieschema voor honden en kattenWSAVA-vaccinatieschema voor honden en katten samengevat rekening houdend met de beschikbare vaccins voor honden en katten in België

 

Hoe kwam deze richtlijn tot stand?

Gezien de opmerkelijke omvang van het materiaal dat in één enkel document moet worden behandeld, heeft het vaccinatiecommittee van de WSAVA geopteerd om deze richtlijn te publiceren als een narratieve review. Er werd dus niet gekozen voor de robuuste methodologie van een systematische review of voor een formele, gestructureerde aanpak om op basis van het Delphi-proces, te komen tot consensusaanbevelingen (Eng: consensus statement). 

Ondanks de waardevolle inspanning waarmee deze richtlijnen tot stand gekomen zijn, belemmert de gevolgde methodologie van een narratieve review de transparantie en de verificatie van de geldigheid van de wetenschappelijke bewijzen.

Het WSAVA-vaccinatie-committee werd financieel ondersteund door MSD Animal Health en de 4 auteurs werden in het verleden betaald door één of meerdere vaccinproducenten bv. voor het geven van lezingen. Dit belangenconflict kan de conclusies en interpretaties in deze richtlijnen hebben vertekend.


  1. Squires RA, Crawford C, Marcondes M, Whitley N. 2024 guidelines for the vaccination of dogs and cats - compiled by the Vaccination Guidelines Group (VGG) of the World Small Animal Veterinary Association (WSAVA). J Small Anim Pract. 2024 May;65(5):277-316. doi: 10.1111/jsap.13718. Epub 2024 Apr 3. PMID: 38568777.