De Belgische wetgeving verplicht het gebruik van vaccins tegen IBR met een serologische merker. De serologische merker dient te zijn gebaseerd op de afwezigheid van een viraal envelop-glycoproteïne gE.
Zie ook: IBR-programma rundvee van het DGZ-Vlaanderen.
Na het gebruik van deze merkervaccins zal het dier antistoffen ontwikkelen tegen alle antigenen van het IBR-virus uitgezonderd het glycoproteïne gE. Aan de hand van serologische testen kan men nadien een onderscheid maken tussen de met het merkervaccin gevaccineerde dieren die negatief zijn voor gE en dieren die een natuurlijke infectie hebben ondergaan en seropositief zijn voor gE. Vaccins tegen IBR zijn geïnactiveerd of geattenueerd. De tk-deletie vermindert de virulentie van het vaccinvirus (tk is een virulentie gerelateerde gen). De geattenueerde vaccins kunnen zowel intranasaal als parenteraal worden toegediend. De geïnactiveerde vaccins zijn uitsluitend bestemd voor parenterale injectie.
Na de primovaccinatie moeten er om de 6 maanden herhalingsvaccinaties worden uitgevoerd tot alle dieren op het bedrijf seronegatief zijn voor het glycoproteïne gE. Op dat moment is het wild-type virus niet meer aanwezig op het bedrijf (I3 statuut) en kan het bedrijf evolueren naar een IBR-vrije status (I4 statuut).
Het IBR-programma heeft als doel om het IBR-virus volledig uit te roeien in België en het vrij IBR-statuut te behalen binnen Europa. Sinds zijn aanvang heeft het IBR-programma verschillende stappen en aanpassingen gekend, die telkens hun weerslag vonden in de nationale wetgeving (2016, 2018 en 2020).
Het IBR-programma is sinds 21 april 2021 grondig wijzigen met de introductie van de nieuwe Europese diergezondheidswet. Voor IBR onderscheidt men hierin drie statuten: (1) IBR-vrij EU (geen vaccinatie), (2) op weg naar IBR-vrij EU en (3) geïnfecteerde bedrijven. Het doel van de sector is dat alle Belgische rundveebedrijven tegen september 2026 over het statuut IBR-vrij EU beschikken.
Zie voor meer informatie IBR-programma rundvee van het DGZ-Vlaanderen.