Na het uitsluiten van andere oorzaken van pruritus en ontsteking van de huid kan ciclosporine oraal worden gebruikt in de symptomatische behandeling van atopische dermatitis bij de hond of allergische dermatitis bij de kat.
Voor diergeneesmiddelen met ciclosporine die in het oog gebruikt worden zie: Keratoconjunctivitis sicca
Ciclosporine bezit sterke immunomodulerende eigenschappen door de inhibitie van de transcriptie van cytokine-genen in geactiveerde T-cellen. Hierdoor worden de productie en secretie van meerdere cytokines onderdrukt. Dit leidt tot verminderde productie, differentiatie en activiteit van verschillende cellen die een rol spelen in de immunologische afweer en in allergische reacties (mastcellen, de cellen van Langerhans, eosinofielen en keratinocyten).
De biologische beschikbaarheid bij de hond is klein en vertoont grote individuele verschillen tussen de dieren onderling. Wanneer ciclosporine gegeven wordt buiten de maaltijden neemt de beschikbaarheid toe. De metabolisatie gebeurt hoofdzakelijk in de lever door het cytochroom P450. Substanties met invloed op dit CYP450 zullen de plasmaconcentratie van ciclosporine beïnvloeden (zie Interacties). De eliminatie gebeurt door de feces en in geringe mate door de nieren. De farmacokinetische eigenschappen van ciclosporine bij de hond zijn vergelijkbaar met deze bij de mens. De veiligheidsmarge is bij de hond echter groter.
Niet gebruiken in geval van overgevoeligheid voor ciclosporine. Wegens het immunodepressief effect kunnen maligne neoplasieën opflakkeren. Het gebruik van ciclosporine bij dieren met zulke processen is dan ook te mijden.
Ernstige lever- of nierstoornissen.
Honden jonger dan 6 maanden of met een lichaamsgewicht lager dan 2 kg en bij katten jonger dan 6 maanden of met een lichaamsgewicht kleiner dan 2,3 kg.
Vaccinaties worden niet uitgevoerd tijdens de behandeling; vaccineren moet gebeuren 2 weken vóór of 2 weken na de behandeling.
Diabetes mellitus is ook een contra-indicatie.
Niet toedienen aan katten met FeLV of FIV.
Milde en voorbijgaande spijsverteringsstoornissen zoals emesis en diarree worden het vaakst gemeld.
Lethargie, anorexia, hyperactiviteit, overmatige speekselafscheiding, gewichtsverlies en lymfopenie, hyperplasie van het tandvlees en huidreacties gezwollen oren en oorschelpen worden eveneens gemeld.
Diabetes mellitus wordt zeer zelden gemeld (<1/10.000 behandelde dieren).
De plasmaconcentratie van digoxine wordt verhoogd door ciclosporine. Ciclosporine kan de nefrotoxiciteit van aminoglycosiden en trimethoprim doen toenemen. Tal van stoffen verlagen de plasmaconcentratie van ciclosporine: sulfonamiden, trimethoprim, rifampicine, fenobarbital, omeprazol, fenytoïne (anti-aritmicum), terbinafin (antimycoticum), probucol (cholesterolverlagend). Stoffen die de plasmaconcentratie en dus de toxiciteit van ciclosporine verhogen zijn: antimycotica (azolderivaten zoals ketoconazol, fluconazol, calciumkanaalblokkers: (verapamil, diltiazem), macroliden (erythromycine), metoclopramide, androgenen, amiodaron (anti-aritmicum). De gelijktijdige toediening van ciclosporine met glucocorticoïden, colchisine, lovastatine kan de toxiciteit van één of van beide stoffen verhogen. Inhibitie van het P-glycoproteïne (transporteiwit) door ciclosporine leidt tot een gestoorde efflux van macrocyclische lactonen ter hoogte van de bloed-hersenbarrière en kan bijgevolg zenuwsymptomen veroorzaken die typisch zijn voor intoxicatie met deze antiparasitica. De werkzaamheid van vaccins kan beïnvloed worden.
Wegens de immunosuppressieve eigenschappen van ciclosporine is het vaccineren tijdens de behandeling af te raden en dient men rekening te houden met de mogelijkheid van een snellere groei van maligne processen. Vergroting van de lymfeklieren dient gecontroleerd te worden. Controleer de dieren op tekenen van diabetes mellitus of nierinsufficientie.
Bij katten moet de immunstatus voor FeLV- en FIV-infecties gecontroleerd worden vooraleer de behandeling gestart wordt. Katten die seronegatief zijn voor Toxoplasma gondi, kunnen tijdens de behandeling geïnfecteerd worden met mogelijk ernstige gevolgen. De behandeling met ciclosporine dient in dit geval onmiddellijk te worden gestopt en er dient een geschikte antiparasitaire opgestart te worden. Bij katten dient het lichaamsgewicht gemonitord te worden.
Van ciclosporine werd aangetoond dat het bij hogere dosissen (2 tot 5 x de normale dosis) embryo- en foetotoxisch is. De veiligheid van het product werd niet aangetoond bij drachtige of lacterende dieren, noch bij mannelijke fokdieren. Het gebruik van ciclosporine is enkel aanbevolen bij fokdieren indien de door de dierenarts uitgevoerde risico/baten-analyse een positieve uitslag geeft. Aangezien ciclosporine doorheen de placenta gaat en in de melk uitgescheiden wordt, is toediening aan drachtige of lacterende dieren niet aanbevolen.