Farmacotherapeutische info

Vaccins tegen neonatale diarree door enterotoxigene E. coli-stammen (ETEC)

datum meest recente update: 25-03-2025
Groep
Vaccins varken
Indicatie
vaccinatie
Actief bestanddeel
E. coli (Su)
Inleiding

Enterotoxigene Escherichia coli-stammen (ETEC-stammen) kunnen een waterige diarree veroorzaken. Bij neonatale biggen kan dit leiden tot aanzienlijke sterfte. Deze zogenaamde enterotoxigene vorm van colibacillose kan ook voorkomen bij oudere, niet-gespeende biggen en bij gespeende biggen. ETEC-stammen bezitten twee belangrijke virulentiefactoren. In de eerste plaats bezitten ze fimbriae waarmee ze vasthechten ter hoogte van de enterocyten van de dunne darm. De belangrijkste adhesiefactoren bij ETEC-stammen die neonatale diarree veroorzaken bij biggen zijn F4- (K88-), F5- (K99-), F6- (987P-) en F41-fimbriae. F4+ ETEC-stammen kunnen ook een rol spelen bij biggendiarree op latere leeftijd. Bij speendiarree zijn voornamelijk F4+ en F18+ ETEC belangrijk. Een tweede eigenschap van ETEC-stammen is dat ze enterotoxines vormen die verantwoordelijk zijn voor de waterige diarree. Men kent twee soorten enterotoxines bij E. coli, namelijk thermolabiele enterotoxines (LT) en thermostabiele enterotoxines (STa, STb en EAST1). Het LT-enterotoxine is een eiwit met een hoog moleculair gewicht dat sterk antigenisch is. De thermostabiele enterotoxines zijn peptiden met een laag moleculair gewicht die weinig antigenisch zijn, tenzij ze geconjugeerd worden met bijvoorbeeld LT-enterotoxine.

Vaccin

Vaccins met ETEC-stammen en vaccins waarbij de ETEC-stammen gecombineerd worden met andere pathogenen zoals Clostridium spp. (zie Clostridia vaccins voor varkens) en/of het rotavirus van het varken.
Vaccinatie wordt uitgevoerd ofwel met een oraal vaccin op basis van een niet-pathogene E. coli-stam (deze stam bezit de F4-fimbrae maar is toxine-negatief) voor de vaccinatie van jonge biggen (leeftijd >18 dagen), ofwel met injectievaccins op basis van gezuiverde adhesiefactoren eventueel aangevuld met het LT-enterotoxine, voor de vaccinatie van zeugen en gelten.

Bescherming

Bij de bestrijding van neonatale E. coli-diarree kan vaccinatie van de drachtige zeugen een hulpmiddel zijn. Een primo-vaccinatie met dergelijke vaccins bestaat meestal uit twee inspuitingen met een interval van 3-6 weken, waarbij de laatste toediening gebeurt 2 tot 6 weken voor de partus. Deze vaccins resulteren voornamelijk in een stijging van het gehalte aan IgG in het colostrum.
Het orale vaccin is ontwikkeld om jonge biggen te beschermen en behoeft slechts één toediening.

Bijzonderheden

In combinatie met andere maatregelen die bedoeld zijn om de infectiedruk te verlagen en de algemene weerstand te verhogen, geven ze meestal goede resultaten bij de bestrijding van neonatale diarree.
Bij vaccinatie met het geattenueerde vaccin mogen de dieren geen gelijktijdige behandeling ondergaan met antibacteriële middelen actief tegen Escherichia coli. Alle materialen die bij het bereiden en toedienen van dit vaccin worden gebruikt, moeten vrij zijn van residuen van antimicrobiële middelen en reinigings- of desinfectiemiddelen. De kiem uit dit vaccin kan worden uitgescheiden door gevaccineerde dieren gedurende minstens 14 dagen en verspreiden naar ongevaccineerde dieren.

Diergeneesmiddelen