Aviair metapneumovirus (aMPV) (eerder kalkoenrhinotracheïtisvirus genoemd) veroorzaakt ziekte bij kippen en kalkoenen (resp. ook dikke koppenziekte of swollen headsyndrome en turkey rhinotracheitis genoemd). Andere soorten waaronder fazanten, parelhoenen, eenden en wilde vogels zouden eveneens gevoelig zijn voor infectie zonder dat bij deze soorten de ziekte aangetoond werd.
Het virus waarvan er 4 verschillende subtypes bestaan A, B, C, D, behoort tot de Paramyxoviridae, genus metapneumovirus. Het repliceert in het ademhalings- en het voortplantingsstelsel met acute ademhalingsproblemen, legdaling en eischaalafwijkingen tot gevolg.
Infectie gebeurt na direct contact of door besmet materiaal. Bij kippen kent de ziekte een variabeler verloop dan bij kalkoenen. Naast legdaling en aantasting van de eischaalkwaliteit en ademhalingssymptomen, kunnen infecties met aMPV een rol spelen in de zgn. dikke koppenziekte of swollen headsyndrome, een multi-factoriële aandoening van de bovenste luchtwegen die naast ademhalingsymptomen ook gepaard gaat met zwellingen van de kop en eventueel met torticollis en opistotonus. Aangezien besmette vogels slechts een aantal dagen het virus uitscheiden, wordt aangenomen dat er geen latente infecties of dragers van het virus voorkomen.
Vaccinatie van kalkoenen tegen het aviair rhinotracheïtisvirus, zie Rhinotracheïtis (kalkoen)
Monovalente levende vaccins – combinatievaccin met geïnactiveerd rhinotracheïtisvirus gecombineerd met andere geïnactiveerde virussen (NCD, EDS en IB).
Dit vaccin is bedoeld als levende voorenting van toekomstige ouderdieren en legkippen ter preventie van ademhalingssymptomen, legdaling en verminderde eischaalkwaliteit gerelateerd aan het aviaire rhinotracheïtis-virus (subtypes A en B). Op één vaccin na, mogen deze vaccins niet toegediend worden 4 weken voor en tijdens de legperiode.
Er wordt gevaccineerd naargelang de epidemiologische toestand.
Gevaccineerde kippen kunnen de vaccinstam tot 20 dagen na de vaccinatie uitscheiden, waarna deze zich kan verspreiden naar ongevaccineerde dieren met eventueel klinische symptomen als gevolg. Alle vatbare dieren moeten daarom tegelijk gevaccineerd worden en er dienen gepaste bioveiligheidsmaatregelen genomen te worden om de verspreiding naar andere dieren te vermijden. Er wordt aangeraden om niet te vaccineren in aanwezigheid van andere gevoelige soorten zoals parelhoenders, fazanten en muskuseenden.