Tokawa, P. K. A., Baccarin, R. Y. A., & Zanotto, G. (2023). Systematic review of the association between intrasynovial corticosteroid use and laminitis—What is the evidence?. Equine Veterinary Education, 35(5), 265-270.
Intra-articulaire corticosteroïden worden vaak gebruikt bij de behandeling van gewrichtsaandoeningen bij paarden. De mogelijkheid van een verband tussen deze behandeling en de ontwikkeling van hoefbevangenheid is geopperd op basis van anekdotisch bewijs en speculatieve mechanistische argumenten. Het doel van deze systematische review is om het beschikbare bewijs te verzamelen en de kwaliteit ervan te beoordelen om het oorzakelijke verband tussen intra-articulaire corticosteroïdentherapie en de incidentie van hoefbevangenheid te evalueren.
Case studies, retrospectieve en prospectieve observationele studies, met of zonder controles, en gerandomiseerde klinische onderzoeken werden opgezocht en onderworpen aan gestandaardiseerde kritische analyses. Moleculen zoals methylprednisolon, betamethason, triamcinolon en dexamethason, die in de praktijk het dikwijls worden gebruikt, werden geëvalueerd.
In totaal werden 237 studies geïdentificeerd. Op basis van objectieve criteria werden vier observationele publicaties geselecteerd: twee retrospectieve cohortstudies, een retrospectieve studie die gebaseerd was op een enquête en een prospectieve cohortstudie, en een case-serie. De meeste onderzoeken hadden een hoog risico op vertekening (niet-geïdentificeerde verstorende risicofactoren) en sommige hadden ook zwakke punten zoals een gebrek aan controles of onvoldoende informatie (corticosteroïdendosis en follow-up van de behandeling). Slechts één studie had als primair einddoel het beoordelen van het causale verband tussen intra-articulaire behandeling en de incidentie van hoefbevangenheid.
Ondanks de zwakke punten van de studies die voor deze systematische review zijn geselecteerd, illustreren de onderstaande gegevens een zekere mate van therapeutische relevantie, gezien de overeenkomsten tussen de stoffen die in het veld worden gebruikt en de stoffen die in de literatuur worden genoemd.
Indien vermeld, lijken de doseringen overeen te komen met de huidige praktijk. Hogere dosissen zijn soms gerapporteerd (McCluskey en Kavenagh, 2004) zonder effect op de incidentie van hoefbevangenheid in vergelijking met dieren die standaarddosissen kregen in andere onderzoeken. Het grote aantal dieren in deze studies, is een belangrijke factor. Rekening houdend met alle risicofactoren, al dan niet geïdentificeerd, is het ook opmerkelijk dat de incidentie van hoefbevangenheid na intra-articulaire injectie van corticosteroïden laag was en vergelijkbaar met controles indien deze in de studie aanwezig waren (zie Tabel 1).
De hogere incidentie die werd aangetoond door Welsh et al. (2016) is moeilijk te interpreteren gezien het aantal verstorende factoren waarmee geen rekening werd gehouden. Tot slot zou een te lange follow-up van de dieren kunnen leiden tot een overschatting van de incidentie die direct verband houdt met de corticosteroïde behandelingen vanwege de mogelijke interventie van talrijke, andere risicofactoren.
Opmerkingen van BCFI
Bij de huidige stand van wetenschappelijke kennis is er geen informatie om een verband te leggen tussen intra-articulaire injecties van corticosteroïden en hoefbevangenheid bij paarden zonder tussenkomst van bijkomende risicofactoren, in het bijzonder metabole en endocriene factoren, zwaarlijvigheid, een voorgeschiedenis van hoefbevangenheid, enz.
Deze conclusie bevestigt de risicoanalyse uitgevoerd door Cornelis en Robinson (2011) in een narratieve review. Hierin wordt als voorzorgsmaatregelen het gebruik van zo laag mogelijke dosissen en korte behandelingsduren aanbevolen, alsook het vermijden van herhaalde toedieningen, langwerkende formuleringen en potentere corticoïden.
De aanwezigheid van stofwisselingsziekten (obesitas, diabetes, geschiedenis van endotoxemie, enz.) en een voorgeschiedenis van hoefbevangenheid moeten uit voorzorg in aanmerking worden genomen bij de risico-batenanalyse die per geval moet worden uitgevoerd bij elke farmacotherapeutische beslissing. Er wordt opgemerkt dat de dosering en de keuze van intra-articulaire preparaten op basis van corticosteroïden grotendeels empirisch blijven (Vandeweerd et al., 2015) en dat het bij gebrek aan veiligheidsstudies onmogelijk is om veilige en effectieve referentiedosissen voor te stellen.
In termen van wettelijke verantwoordelijkheden, en gezien de huidige stand van de wetenschap, wordt dierenartsen geadviseerd om geïnformeerde toestemming te vragen voorafgaand aan elke therapeutische beslissing, waarbij aan de eigenaar wordt uitgelegd wat het verwachte voordeel van de therapie is in relatie tot het zeer lage risiconiveau bij afwezigheid van andere factoren. Naleving van algemeen de dosissen uit de bijsluiter/SKP wordt aanbevolen.
Referenties
Cornelisse, C. J., & Robinson, N. E. (2013). Glucocorticoid therapy and the risk of equine laminitis. Equine Veterinary Education, 25(1), 39-46.
McCluskey, M. J., & Kavenagh, P. B. (2004). Clinical use of triamcinolone acetonide in the horse (205 cases) and the incidence of glucocorticoid‐induced laminitis associated with its use. Equine Veterinary Education, 16(2), 86-89.
Tokawa, P. K. A., Baccarin, R. Y. A., & Zanotto, G. (2023). Systematic review of the association between intrasynovial corticosteroid use and laminitis—What is the evidence?. Equine Veterinary Education, 35(5), 265-270.
Vandeweerd, J. M., Zhao, Y., Nisolle, J. F., Zhang, W., Zhihong, L., Clegg, P., & Gustin, P. (2015). Effect of corticosteroids on articular cartilage: have animal studies said everything?. Fundamental & clinical pharmacology, 29(5), 427-438.
Welsh, C. E., Duz, M., Parkin, T. D., & Marshall, J. F. (2017). Disease and pharmacologic risk factors for first and subsequent episodes of equine laminitis: a cohort study of free-text electronic medical records. Preventive veterinary medicine, 136, 11-18.