In het kader van de beperkingen van het profylactisch gebruik van antibiotica (Verordening 2019/6), kunnen koeien enkel nog drooggezet worden met antibiotica als bij het dier een subklinische mastitis is vastgesteld of indien er sterke aanwijzingen zijn om dit te vermoeden (bv. te hoog individueel celgetal).
Het wordt sterk aangeraden om koeien die niet met een antibioticum drooggezet worden, droog te zetten met een niet-antibacteriële speenafsluiter, zie ‘Droogzettherapie zonder antimicrobiële middelen’.
Antibiotica voor intramammair gebruik behoren meestal tot de groep van de bètalactamines (zie Penicillines, Benzylpenicillines, en Cefalosporines) en de aminosiden (zie Aminosiden). Het lokaal gebruik van deze substanties leidt meestal tot een klinische, maar niet steeds bacteriologische genezing: de dieren blijven latente kiemdragers. Alhoewel associaties soms van nut kunnen zijn door het optreden van synergistische effecten of een verbreding van het werkingsspectrum wanneer meerdere kiemen bij de infectie betrokken zijn, is hun gebruik met het oog op de vrijwaring van de volksgezondheid omstreden. Een etiologische diagnose kan het systematisch gebruik van deze combinaties vermijden.
De toepassing van cloxacilline, dat behoort tot de groep van de penicillines, is vooral gericht op penicillinase-producerende gram-positieve kokken waaronder Staphylococcus spp. Dit penicillinaseresistente semisynthetisch penicilline heeft een beperkter werkingsspectrum dan het natuurlijke penicilline. Resistentie werd opgetekend, vormt echter (nog) geen probleem in de diergeneeskunde.
Rifaximin, dat behoort tot de groep van de ansamycines, heeft een werkingsmechanisme dat zoals dat van de rifamycines gebaseerd is op de remming van het DNA-afhankelijke RNA-polymerase. Hierdoor wordt de synthese van het boodschapper-RNA verhinderd en bijgevolg ook de proteïnesynthese. Het spectrum bevat de voornaamste Gram+ kiemen verantwoordelijk voor het ontstaan van mastitis, zowel delende kiemen als kiemen in rust: Staphylococcus aureus, Streptococcus agalactiae, Streptococcus dysgalactiae, Streptococcus uberis en Actynomyces pyogenes. Gezien het belang van rifamycines in de humane geneeskunde voor de behandeling van tuberculose dient het gebruik van dit antibioticum in de diergeneeskunde tot een minimum beperkt te worden.
De dry cow-preparaten zijn licht irriterend en bevatten één of meerdere zeer actieve bactericide antibiotica met een sterke affiniteit voor het uierweefsel en de uiersecreties. Deze olieachtige suspensies stellen de actieve substantie geleidelijk vrij. Wegens hun lange wachttijd mogen deze preparaten niet worden gebruikt tijdens de lactatie.
Ondanks de geringe systemische resorptie zonder algemeen therapeutisch effect, kunnen residuen aanwezig zijn in de melk of het vlees van het behandelde dier.
Droogzetters zijn veilig om toegediend te worden tijdens dracht maar kunnen gezien hun lange wachttijd niet toegediend worden tijdens de lactatie.