Cefalosporines van 3de en 4de generatie vertegenwoordigen belangrijke antibiotica voor de behandeling van ernstige invasieve infecties in de humane geneeskunde. Deze antibiotica zijn ook als diergeneesmiddel in de handel. Hun gebruik bij voedselproducerende dieren kan echter de selectie van resistente bacteriepopulaties bespoedigen waardoor niet alleen de werkzaamheid van deze geneesmiddelen in de diergeneeskunde maar ook in de humane geneeskunde in het gedrang komt. Dit kan gebeuren door bacteriën die breedspectrum-bètalactamasen (ESBL) produceren en mogelijk een risico vormen voor de volksgezondheid als deze stammen zich bijvoorbeeld via voedsel verspreiden naar de mens. Om het rationeel gebruik van deze cefalosporines bij voedselproducerende dieren te bevorderen en zo de werkzaamheid van deze geneesmiddelen te vrijwaren, zijn een aantal waarschuwingen en beperkingen geformuleerd om opgenomen te worden in de SKP’s van systemisch toe te dienen geneesmiddelen met 3de of 4de generatie cefalosporines (cefquinome, ceftiofur), die bestemd zijn voor voedselproducerende dieren (1). De Europese overheid baseerde zich hiervoor op de besluiten van de CVMP-discussienota (2) die in de Folia Veterinaria 2009, nr. 1 werd besproken. Voor een uitgebreide uiteenzetting over het gebruik van cefalosporines in de veeteelt, het ontstaan van resistenties en de impact voor de diergeneeskunde en de geneeskunde of een gedetailleerde lezing van de waarschuwingen wordt naar bovengenoemde documenten (1, 2) verwezen. Hieronder volgt een opsomming van de waarschuwingen en beperkingen.
- Cefalosporines van de 3de en 4de generatie (cefquinome en ceftiofur) kunnen aan nutsdieren slechts toegediend worden indien:
- een 1ste-lijnsgeneesmiddel niet werkzaam is of bij acute gevallen wanneer verondersteld kan worden dat het 1ste-lijnsgeneesmiddel niet werkzaam zal zijn. Waar mogelijk dienen deze geneesmiddelen met 3de en 4de generatie cefalosporines uitsluitend gebruikt te worden op basis van gevoeligheidstesten.
- voor de behandeling van een bestaande infectie en niet voor ziektepreventie.
- voor de behandeling van individuele dieren. Deze antibiotica kunnen slechts in aanmerking komen voor groepsbehandelingen in uitzonderlijke gevallen en slechts wanneer het risico op de verspreiding van resistentie opgenomen werd in de baten-risico-analyse. Groepsbehandelingen moeten steeds beperkt worden tot de behandeling van bestaande ziekte-uitbraken die in de SKP onder de indicaties opgenomen zijn.
- In alle SKP’s en bijsluiters van geneesmiddelen met cefalosporines van 3de en 4de generaties wordt de toediening aan pluimvee (met inbegrip van toediening in ovo) opgenomen als een contra-indicatie, waardoor zulke geneesmiddelen nooit aan pluimvee toegediend kunnen worden, ook niet onder het cascadesysteem.
- In de SKP’s van geneesmiddelen met 3de en 4de generatie cefalosporines die geïndiceerd zijn voor de behandeling van metritis bij runderen wordt opgenomen dat deze middelen slechts kunnen gebruikt worden indien de behandeling met een ander antimicrobieel middel heeft gefaald. Daarenboven mogen deze niet preventief toegediend worden in geval van retentio secundinarum.
Referenties:
- Advies van het Comité voor geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (CVMP) ingevolge een verwijzing uit hoofde van artikel 35 van de Richtlijn 2001/82 voor alle geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik die systemisch toegediende (parenterale en orale) 3e en 4e generatie cefalosporinen bevatten die zijn bedoeld voor gebruik bij voedselproducerende soorten EMA/967448/2011 bekrachtigd door een beschikking van de Europese Commissie van 13 januari 2012
- Reflection paper on the use of 3rd and 4th generation cephalosporins in food-producing animals in the European Union: development of resistance and impact on human and animal health” (EMEA/CVMP/SAGAM/81730/2006-Rev.1)