- Kortwerkende analgesie bij de hond of bij het paard. Kort tot halflangwerkende analgesie bij de kat.
- Voor verlichting van pijn bij gastro-intestinale koliek bij het paard en voor de verlichting van lichte tot matige viscerale pijn bij de hond en kat.
- Voor de sedatie in combinatie met bepaalde alfa-2-adrenoreceptoragonisten bij hond, kat en paard.
- Als onderdeel van de medicatie voor de pre- of anesthesie bij honden en katten.
Butorfanoltartraat heeft een centraal analgetische werking; agonistisch op de kappa-opioïdreceptoren en antagonistisch op de mu-opioïdreceptoren. De kappa-receptor controleert pijn en sedatie zonder depressie van het cardiopulmonair systeem of van de lichaamstemperatuur, de mu-receptor controleert pijn, sedatie en veroorzaakt depressie van het cardiopulmonair systeem en daling van de lichaamstemperatuur. Na intraveneuze toediening treedt het analgetisch effect op na 15 min. en houdt bij het paard meestal 15-60 min. aan en bij de hond 15-30 min.
Butorfanol wordt snel geresorbeerd, het distributievolume is groot. Butorfanol passeert doorheen de placenta en wordt eveneens met de melk uitgescheiden. Butorfanol wordt voornamelijk gemetaboliseerd in de lever en als inactieve metabolieten uitgescheiden in de urine. Butorfanol heeft een korte halfwaardetijd (< 1 h bij het paard en < 2 h bij de hond), daardoor is 97 % van de dosis gemiddeld na minder dan 5 h bij het paard (iv) of 10 h bij de hond (im) geëlimineerd. De halfwaardetijd bij de kat is relatief lang (6 h), het gevolg hiervan is dat 97 % van de dosis na ongeveer 30 h geëlimineerd zal zijn. Farmacokinetiek na herhaalde dosering werd niet bestudeerd.
Niet toedienen aan dieren met lever- of nierziekten, hypothyroïdie of hypoadrenocorticisme (ziekte van Addison). Voorzichtigheid is tevens geboden bij dieren met een hoofdtrauma, verhoogde craniale druk of dieren met stoornissen ter hoogte van het centrale zenuwstelsel. Butorfanol/detomidine combinatie mag niet toegediend worden aan paarden met gekende hartritmestoornissen of in geval van koliek met obstipatie omdat deze combinatie een verminderde gastro-intestinale motiliteit veroorzaakt.
Niet toedienen bij hartfunctiestoornis of spastische aandoeningen, bij obstructieve respiratoire aandoeningen of bij longemfyseem bij paarden.
De veiligheid van het onderstaande diergeneesmiddel werd niet aangetoond bij jonge pups, kittens en veulens. Zie verder Voorzorgen bij het gebruik.
Paard: locomotorische prikkeling (stappen), ataxie, verminderde gastro-intestinale motiliteit, depressie van het cardiovasculair systeem, ademhalingsdepressie.
Hond: depressie van het ademhalingsstelsel en het cardiovasculair systeem, anorexie en diarree, verminderde gastro-intestinale motiliteit, lokale pijn na intramusculaire injectie.
Kat: ataxie, anorexie, diarree komen zelden voor (1à10/10.000 behandelde dieren). Andere bijwerkingen die kunnen voorkomen zijn ademhalings- en cardiale depressie, pijn op de injectieplaats na intramusculaire injectie, verminderde maagdarmmotiliteit, excitatie, angst, sedatie, mydriasis, desoriëntatie, dysforie (frequentie is niet bepaald).
Bij overdosering treedt een respiratoire depressie op, die omgekeerd kan worden met een opioïde antagonist. Andere tekenen van overdosering bij paarden zijn: rusteloosheid, prikkelbaarheid, spiertremor, ataxie, hypersalivatie, verminderde gastro-intestinale motiliteit en stuipen.
Andere depressiva die op het centrale zenuwstelsel werken, kunnen de effecten van butorfanol versterken. De dosis moet verminderd worden indien deze middelen samen worden gebruikt. Mits aanpassing van de dosis kan butorfanol gebruikt worden in combinatie met andere sedativa zoals alfa-2-adrenergica (b.v. romifidine, of detomidine bij paarden, medetomidine bij honden). De combinatie van butorfanol en alfa-2-adrenergica moet met voorzichtigheid gebruikt worden bij dieren met een cardiovasculaire aandoening. Het gebruik samen met anticholinergische geneesmiddelen, bv. atropine, kan overwogen worden. Door de antagonistische eigenschappen van butorfanol op de opioïde mu-receptor zou butorfanol de analgetische werking van de eerder toegediende zuivere mu-opioïde agonisten kunnen opheffen.
Aangezien het product aanleiding kan geven tot voorbijgaande ataxie en/of excitatie moet, in het bijzonder bij het paard, de plaats van de behandeling met zorg gekozen worden om eventuele verwondingen bij patiënt en behandelende persoon te vermijden. Bij dieren met ademhalingsproblemen die gepaard gaan met een verhoogde slijmproductie of bij dieren die behandeld werden met een expectorans, mag butorfanol (onderdrukt hoestreflex) enkel gebruikt worden na het afwegen van de risico’s en baten. Bepaal het precieze lichaamsgewicht van het dier en gebruik insulinespuitjes om een correcte dosis toe te dienen (katten!).
Bij honden met een MDR-mutatie moet de dosis butorfanol voor heterozygote honden met 25% à 50% verlaagd worden.
Het gebruik van deze stof gedurende dracht en lactatie is niet aanbevolen.