Systematic review of antiepileptic drugs’ safety and effectiveness in feline epilepsy.
Charalambous M, Pakozdy A, Bhatti SFM, Volk HA. - BMC Veterinary Research 2018; 14:64.
Epileptische aanvallen zijn een neurologisch verschijnsel dat regelematig voorkomt bij katten. Van de katten die doorverwezen werden naar een 2de-lijns kliniek, hadden naar schatting 0,5 à 3,5 % van de dieren epileptische symptomen (Pakozdy et al., 2010) en werd bij 21 à 59 % van de katten met recurrente epileptsiche aanvallen de diagnose idiopatische epilepsie vastgesteld (Schriefl et al., 2008). Desondanks wordt dit onderwerp slechts zelden in de literatuur behandeld, zeker vergeleken met epilepsie bij de hond.
In de bovenstaande systematische review van Charalambous et al (2018) wordt de doeltreffendheid en veiligheid van antiepileptica bij de kat onderzocht.
In deze review werden 40 studies geanalyseerd die tussen 1973 en 2017 gepubliceerd werden en in dewelke bij verschillende kattenrassen de doeltreffendheid en veiligheid van één of meerdere van de volgende geneesmiddelen onderzocht werden: fenobarbital, kaliumbromide, levetiracetam, imepitoïne, diazepam, primidone, fenytoïne, zonisamide, pregabaline en valproïnezuur.
Charalambous et al. (2018) toonden aan dat fenobarbital de hoogtste werkzaamheid bezat, gevolgd door levetiracetam en kaliumbromide, vervolgens imepitoïne en diazpam en tenslotte zonisamide, primidone en fenytoïne (Figuur 1).
Er dient te worden opgemerkt dat voor deze rangschikking slechts bewijzen van een lager niveau kunnen aangevoerd worden gezien het beperkt aantal studies en het beperkt aantal patienten dat in de studies onderzocht werd. De werkzaamheid van pregabaline en valproïnzuur kon in deze review van Charalambous et al. (2018) niet worden aangetoond.
Figuur 1 : Hiërarchie van de doeltreffendheid van antepileptische geneesmiddelen (naar 'Fig. 5 Pyramid of AED's efficacy hierarchy based on the quality of evidence and outcomes assesement', Charalambous et al.., 2018).
Imepitoïne werd als het meest veilige geneesmiddel beoordeeld, gevolgd door levetiracetam, daarna fenobarbital, vervolgens zonisamide en pregabaline, daarna primidone, fenotyoïne en valproïnezuur vervolgens kaliumbromide en tenslotte diazepam (Figuur 2). Ook deze resultaten zijn op bewijzen van een lager niveau gebaseerd met de uitzondering van imepitoïne waar het niveau van de bewijzen goed was.
Figuur 2 : Hiërarchie van de veiligheid van antepileptische geneesmiddelen (naar 'Fig. 6 Pyramid of AEDs’ safety hierarchy based on the quality of evidence and outcomes assessment', Charalambous et al.., 2018).
Het gebruik van kaliumbromide en diazepam ging frequent gepaard met ernstige, in het geval van diazepam zelf dodelijke, gastro-intestinale bijwerkingen. Bijwerkingen van deze twee geneesmiddelen zouden dus eerder veroorzaakt worden door doeldierspecifieke dan aan individuele factoren.
Deze review heeft geen statistische vergelijking kunnen maken van de verschillende geneesmiddelen voor werkzaamheid en veiligheid samen en kan dus op dat vlak geen geneesmiddel als eerste keuze voorstellen. Wanneer beide factoren, werkzaamheid en veiligheid, afzonderlijk worden beschouwd, kunnen voor een monotherapie enerzijds fenobarbital voor werkzaamheid en anderzijds imepitoïne of levetiracetam voor veiligheid naar voren worden geschoven. Er wordt opgemerkt dat het aantal bijwerkingen na het gebruik van fenobarbital niet groot is en dat bij katten die geen voorafgaande leverproblemen hebben, deze stof kan worden aanbevolen. Imepitoïne of levetiracetam vormen een goed alternatief voor een monotherapie indien bijwerkingen geziien worden na het gebruik van fenobarbital. Levetiracetam kan eveneens aangewezen zijn voor de behandeling van bepaalde types epilepsie zoals myoclonische epilepsie bij oudere katten. Deze drie geneesmiddelen en in mindere mate zonisamide kunnen ook als additieve therapie worden gebruikt indien bij een monotherapie de symptomen niet voldoende onderdrukt kunnen worden.
Kaliumbromide zou enkel als additief mogen toegediend worden indien er geen alternatief is en in overleg met de eigenaar. Het dier dient nauwlettende opgevolgd te worden om eventuele bijwerkingen meteen op te merken. Van diazepam komt niet in aanmerking voor de behandeling gezien haar werkzaamheid niet kon worden aangetoond en de eventuele ernstige, mogelijks dodelijke bijwerkingen.
De auteurs wijzen erpo dat deze aanbevelingen gebaseerd zijn op de huidige literatuur, zonder rekening te houden met bepalingen van de lokale wetgeving die voor het toedienen of voorschrijven van geneesmiddelen van kracht kunnen zijn.
Tenslotte merken Charalambous et al. (2018) op dat andere stoffen zoals taurine reeds onderzocht werden voor de behandeling van epileptiforme aanvallen bij de kat maar dat bijkomende studies nodig zijn om hun werkzaamheid aan te tonen.
Als conclusie kan worden gesteld dat voor de behandeling van epilepsie bij de kat fenobarbital de eerste keuze behandeling is, gevolgd door imepitoïne en levetiracetam. Diazepam moet daarentegen worden vermeden en kaliumbromide kan slechts in uitzonderlijke gevallen gebruikt worden. Bijkomend onderzoek is echter nodig om de werkzaamheid en veiligheid van de verschillende stoffen voor de behandeling van epilepsie bij de kat precies te kennen.
Redactiecommentaar van het BCFIvet
Door de verschillen in de werkzaamheid en de veiligheidsprofielen van de verschillende anti-epileptica bij honden en katten, is de behandeling van epilepsie bij beide diersoorten verschillend.
Enkel fenobarbital, imepitoïne en kaliumbromide zijn als diergeneesmiddel in België in de handel en zijn als anti-epileptica uitsluitend geïndiceerd voor de hond. Diazepam dat echter niet in aanmerking komt voor de behandeling van epilepsie bij de kat, is in België als diergeneesmiddel in de handel voor honden en katten maar is niet specifiek geïndiceerd voor de behandeling van epilepsie. Levetiracetam, pregabaline en valproïnezuur zijn in België uitsluitend beschikbaar als een geneesmiddel voor de mens.
Het toedienen of voorschrijven van diergeneesmiddelen die ofwel niet voor de kat geïndiceerd zijn, ofwel voor een andere indicatie in de handel werden gebracht of van geneesmiddelen voor de mens, kan uitsluitend gebeuren volgens de voorschriften van het cascadesysteem (KB 14/12/2006 art 230). Omdat dit steeds gebeurt op verantwoordelijkheid van de dierenarts is het belangrijk dat zij/hij bij de behandeling goed op de hoogte is van zowel de werkzaamheid, als van de mogelijke bijwerkingen van een bepaald anti-epilepticum.
Alhoewel er voor de meeste studies waarop deze systematische review gebaseerd is, in een belangrijke mate rekening gehouden moet worden met bias, biedt deze review de dierenarts een overzicht van de huidige stand van de wetenschap omtrent de behandeling van epilepsie bij de kat en stelt ze de dierenarts in staat om een weloverwogen keuze te maken.
Bibliografie
- Charalambous M, Pakozdy A, Bhatti SFM, Volk HA. Systematic review of antiepileptic drugs’ safety and effectiveness in feline epilepsy. BMC Veterinary Research 2018; 14:64.
- Pakozdy A, Leschnik M, Sarchahi AA, Tichy AG, Thalhammer JG. Clinical comparison of primary versus secondary epilepsy in 125 cats. J Feline Med Surg. 2010; 12(12):910–6.
- Schriefl S, Steinberg TA, Matiasek K, Ossig A, Fenske N, Fischer A. Etiologic classification of seizures, signalment, clinical signs, and outcome in cats with seizure disorders: 91 cases (2000-2004). J Am Vet Med Assoc. 2008; 233(10):1591–7.
- KB 14 december 2006 betreffende geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik