Update april 2020 van een publicatie van 2014.
Vlooien en teken komen regelmatig voor bij honden en katten en kunnen huidirritaties en huidbeschadigingen veroorzaken. Bij gevoelige honden en katten kunnen vlooien bovendien de oorzaak zijn van allergische vlooiendermatitis (Paterson, 2019). Deze ectoparasieten kunnen ook optreden als vector van een aantal pathogenen voor honden, katten en de mens.
In Europa is Ctenocephalides felis (C. felis) de meest voorkomende vlooiensoort bij honden en katten, gevolgd door C. canis. Vlooien kunnen ondermeer vector zijn voor verschillende pathogenen zoals Rickettsia felis, Haemoplasma spp. of voor Bartonella henselae, de veroorzaker van kattenkrabziekte bij de mens, of kunnen als tussengastheer van Dipylidium caninum, honden, katten of de mens met deze lintworm besmetten (Paterson, 2019).
De belangrijkste tekensoorten die in België op honden en katten aangetroffen worden zijn Ixodes ricinus en in mindere mate Ixodes hexagonus. Bij honden die recent in Zuid- en Oost-Europa verbleven, kunnen ook soorten zoals Rhipicephalus sanguineus, Dermacentor marginatus en Dermacentor reticulatus worden aangetroffen. De (voorlopig beperkte) inheemse aanwezigheid van deze laatste soort in België werd bevestigd (Cochez et al., 2012; Claerebout et al., 2013; Jongejan et al., 2015). Voorbeelden van pathogenen die naargelang de tekensoort kunnen worden overgedragen naar honden, katten en eventueel de mens zijn ondermeer Borrelia burgdorferi sensu lato (borreliose of ziekte van Lyme bij honden, katten en de mens), Anaplasma phagocytophilum (granulocytaire anaplasmose bij honden katten en de mens), beide overgedragen door verschillende Ixodes spp. en Babesia spp.(babesiose bij de hond), Rickettsia felis (spotted fever bij honden, katten en de mens), beide overgedragen door Dermacentor en/of Rhipicephalus spp. Teken van het genus Ixodes zijn verantwoordelijk voor het verspreiden van het flavivirus, dat verantwoordelijk is voor tekenencefalitis. In België is sinds enkele jaren aangetoond dat het virus circuleert bij in het wild levende dieren. In 2018 werden de eerste twee (één mogelijke en één waarschijnlijke) autochtone infecties bij de mens gemeld (Sciensano, 2018).
De verspreiding in Europa van deze pathogenen wordt grotendeels, maar niet uitsluitend, bepaald door de verspreiding van de tekensoorten die als vector in aanmerking komen. Een geschikte vector voor een bepaald pathogeen agens is niet a priori drager van zulk agens. Momenteel zijn er geen aanwijzingen om te veronderstellen dat het bezit van een gezelschapsdier voor de eigenaar een verhoogd risico vormt op infectie met de hogergenoemde pathogenen. Honden en katten kunnen wel bijdragen tot het verspreiden van deze ziekten wanneer ze besmette teken uit endemische gebieden importeren.
Bestrijding van vlooien
Slechts een klein deel van de vlooienpopulatie bevindt zich op het dier. Dit zijn de volwassen vlooien die zich voortplanten. De eitjes, larven en poppen zijn aanwezig in de directe omgeving van de gastheer en vormen samen meer dan 90% van de vlooienpopulatie.
De larven die aangetroffen worden in kieren, naden en diep in het tapijt zijn gevoelig voor uitdroging, schuwen licht en voeden zich met debris zoals huidschilfers of feces van volwassen vlooien. Larven komen na 48 uur uit het ei en ontwikkelen zich, afhankelijk van de temperatuur en vochtigheid in 5 tot 15 dagen. Eenmaal uitgegroeid, verpopt de larve zich tot een pop en vormt een cocon die relatief resistent is aan ongunstige omgevingsomstandigheden en insecticiden. Onder invloed van de juiste stimuli zoals temperatuurstijging, trillingen en CO2-gehalte, kan het ontpoppen plaatsvinden.
De ontwikkeling van ei tot volwassen vlo kan binnen de 30 tot 75 dagen plaatsvinden, of kan, bij ongunstige omstandigheden, verschillende maanden duren.
Vlooien zijn zeer goed aangepast aan een leven in onze verwarmde woningen en kunnen er zich gedurende het hele jaar ontwikkelen, ook al ligt de piek van de vlooienplagen in de zomer en de herfst (Rust, 2017 ; Paterson, 2019).
Een goede vlooienbestrijding richt zich zowel op de volwassen vlooien op het dier, als op de immature stadia die binnenshuis aanwezig zijn, en kan, zeker bij dieren met allergische vlooiendermatitis, gedurende het hele jaar nodig zijn.
Insecticiden (1) kunnen werkzaam zijn tegen de volwassen vlooien (adulticiden) en/of tegen de immature vormen (insectengroeiremmers). Behandeling met producten die uitsluitend gericht zijn tegen volwassen vlooien kan niet verhinderen dat de immature vormen die reeds in de omgeving aanwezig zijn, zich verder ontwikkelen. Deze zullen het dier herbesmetten van zodra de werking van het product voldoende afgenomen is, bv. wanneer het behandelingsinterval niet wordt gerespecteerd. Insectengroeiremmers (IGR’s) grijpen in op de ontwikkeling en de groei van de vlooien. De IGR’s worden naargelang hun werking ingedeeld in juveniele hormoonanalogen (S-methopreen, pyriproxyfen) en chitinesyntheseremmers (lufenuron). IGR’s gaan de ontwikkeling van vlooieneitjes en larven tegen en kunnen zo de vlooiencyclus doorbreken. Antiparasitica tegen vlooien zijn soms combinatieproducten van een adulticide met een IGR. Sommige nieuwere middelen bezitten naast de adulticide werking eveneens een partiële ovicide en/of larvicide werking (partiële) IGR-werking (fipronil, selamectine, pyriprole, imidacloprid, metaflumizon, spinosad en indoxacarb). De werkzame stof kan na opname door de volwassen vlo direct gericht zijn tegen de geproduceerde vlooieneitjes, ofwel wordt deze stof in de vlooienfeces uitgescheiden en worden de larven gedood zodra ze zich met deze feces voeden (2). Zoals reeds gezegd zijn de poppen in hun cocon niet gevoelig voor insecticiden. Het verwijderen van deze cocons kan bv. wel door regelmatig en grondig te stofzuigen en door het wassen van dekentjes en ander materiaal.
Een aantal principes waarop een goed vlooienbestrijdingsplan gebaseerd moet zijn:
- Alle huisdieren in hetzelfde huis moeten gelijktijdig behandeld worden met een gepast product, geïndiceerd voor de diersoort (3) en de leeftijd. De correcte dosis en toediening van het product moeten worden gerespecteerd. Zo kunnen pyrethrinoïden zoals permethrine en deltamethrine met een grote veiligheidsmarge toegediend worden aan honden, katten zijn echter zeer gevoelig voor pyrethrinoïden en zouden zelfs bijwerkingen kunnen vertonen wanneer ze nauw contact hebben met pas behandelde honden. Dierenartsen en apothekers moeten bij het afleveren van zulke producten de eigenaars van de dieren waarschuwen om deze producten niet toe te dienen aan katten en pas behandelde honden af te zonderen van katten (Zie ook “Pyrethrinoïden kunnen dodelijk zijn voor katten”). Ook organofosfaatesters kunnen verhoogde toxiciteit bij de kat uitlokken in vergelijking met de hond. Het gebruik van halsbanden of spot-on pipetten bestemd voor een lagere of hogere gewichtsklasse dan deze van het te behandelen dier, kan aanleiding geven tot resp. subtherapeutische dosering en therapiefalen of overdosering en bijwerkingen. Spot-ons moeten, zoals de bijsluiter/SKP/het voorschrijft, op de huid (niet op het haar), meestal tussen beide schouderbladen, toegediend worden. Ze mogen niet met de vinger of een doekje worden uitgewreven omdat dit enerzijds kan leiden tot een lagere dosis die uiteindelijk op het dier aangebracht zal worden en anderzijds tot een onnodige blootstelling van de mens aan het product. Aangezien gebleken is dat heel wat eigenaars deze producten verkeerd toedienen, is het nuttig dat de dierenarts of apotheker de correcte toediening demonstreert (Zie ook “Te Gek?”). De toedieningswijze wordt in de bijsluiter/SKP uitgelegd. Bij het afleveren moet worden opgelet om het diergeneesmiddel (spot-on of halsband) af te leveren dat geïndiceerd is voor de juiste diersoort en gewichtsklasse.
- Door het wassen van het dier of na het zwemmen van de hond, kan de werkzaamheid van uitwendig toegepaste middelen verminderen. Informatie hierover is in de bijsluiter/SKP van het diergeneesmiddel terug te vinden.
- Wanneer de vlooienbehandeling vooral gericht is op het bestrijden van volwassen vlooien op het dier en er geen of onvoldoende aandacht geschonken wordt aan de bestrijding van de immature vormen in de omgeving, dan zal er zich hier een permanente bron van herinfectie vormen. Dit kan verhinderd worden enerzijds door het dier zowel te behandelen met een adulticide, als met een IGR en anderzijds door de onvolwassen vormen mechanisch uit de omgeving te verwijderen: verschoon dekens of ander materiaal waarop de dieren liggen en stofzuig regelmatig de ruimtes in huis (manden, tapijten, zetels,...) en andere plaatsen (hokken, schuurtjes, auto,...) waar de dieren verblijven. Stofzuigen is zoals reeds gezegd de enige manier om de cocons te verwijderen. De stofzuiger moet na gebruik onmiddellijk worden leeggemaakt omdat door de trillingen, veroorzaakt bij het stofzuigen, de volwassen vlooien kunnen vrijkomen uit de opgezogen cocons. Een alternatief is het plaatsen (en regelmatig vervangen) van een insecticideplaatje in de stofzuiger. In hoeverre een behandeling van de omgeving, die meestal ook de leefomgeving van de mens is, met een insecticide zinvol en/of wenselijk is, moet worden afgewogen.
- Blootstelling aan andere met vlooien besmette dieren (vb. katten uit de buurt, bezoekers met honden) of een besmette omgeving kan na een éénmalige behandeling of na het stopzetten van een behandeling, tot een herbesmetting leiden. Een vlooienbehandeling moet bijgevolg meerdere malen herhaald worden en zo nodig, bijvoorbeeld bij dieren met allergische vlooiendermatitis, zelfs het hele jaar door. De behandelingsfrequentie voor een bepaald product is terug te vinden in de bijsluiter/SKP.
- Het is belangrijk een onderscheid te maken tussen middelen met een lokale werking en deze met een systemische werking - lufenuron (sc injectie), spinosad (po) en selamectine (spot-on) - waarbij de werkzame stof door de parasiet tijdens de bloedmaaltijd wordt opgenomen. Van deze laatste middelen wordt het werkzaam bestanddeel opgeslagen in het lichaamsvet. Dit is vooral belangrijk bij allergische vlooiendermatitis of wanneer de eigenaar geen rechtstreeks contact wenst met het insecticide (al werden de risico’s hiervan voor de mens geëvalueerd tijdens het registratieproces). Bij het klasseren van de ectoparasitica in het diergeneesmiddelenrepertorium werd rekening gehouden met dit verschil in farmacokinetiek.
- Een goede vlooienbestrijding vraagt een continue aandacht en inzet van de eigenaar. Therapiefalen is vaak het gevolg van het niet strikt naleven van de hierboven opgesomde principes en zelden te wijten aan resistentie van de vlo tegen het gebruikte product. Dierenartsen en apothekers dienen de eigenaars van de dieren dan ook grondig te informeren over de globale aanpak van een vlooienprobleem en het belang van herhaalde behandelingen te benadrukken, ook wanneer er geen vlooien meer gezien worden (Halos et al., 2014). In het bijzonder wanneer de eigenaar twijfelt aan de werkzaamheid van een gebruikt product, moet de door de eigenaar uitgevoerde behandelingsstrategie overlopen worden met de dierenarts en waar mogelijk verbeterd worden. De eigenaar moet ook weten dat de meeste adulticiden geen afwerend of repellent vermogen hebben, m.a.w. dat ze niet kunnen voorkomen dat behandelde dieren toch besmet worden, en dat vlooien bovendien meestal niet onmiddellijk gedood worden door het insecticide. Sommige adulticiden hebben wel een zeer snelle werking zoals permethrine, pyrethrinoïden, organofosfaten, carbamaatesters, spinosad, imidacloprid en dinotefuran. Ook de recentere isoxazolines (sarolaner, fluralaner, afoxolaner, lotilaner), hebben een snelle werking (Paterson, 2019).
Resistentie van vlooien (4) werd opgemerkt voor een aantal insecticiden zoals organofosfaten, carbamaten en pyrethrinoïden. In beperktere mate werd ook resistentie tegen fipronil, imidacloprid, lufenuron, methopreen, permethrine en pyriproxyfen vastgesteld (Paterson, 2019 ; Coles and Dryden, 2014).
Bestrijding van teken
De meeste teken kunnen zich in tegenstelling met vlooien echter niet binnenshuis ontwikkelen maar zijn afhankelijk van verschillende gastheren waarop telkens een volgend ontwikkelingsstadium plaatsvindt. Deze gastheren zijn dikwijls wilde diersoorten (aanwezig in tuinen, parken, bossen, ...) die bijgevolg een reservoir vormen voor nieuwe besmettingen van honden en katten. Een uitzondering op deze regel is Rhipicephalus die zich wel binnenshuis kan ontwikkelen indien een geschikte gastheer (hond) in huis aanwezig is.
De preventie of behandeling van tekeninfestaties is dan ook voornamelijk gericht op de teken die op het dier aanwezig zijn. Het dier kan regelmatig visueel geïnspecteerd worden op de aanwezigheid van teken. Dit gebeurt best dagelijks en na elke wandeling in een tekenbiotoop, om het risico op overdracht van TBD (tick borne disease) te verkleinen. Teken hechten zich vooral ter hoogte van de kop (rond de ogen, oren en snuit en bij de kat onder de kin), de hals en de poten (zie Figuur 1) (Wright et al., 2018).
Na visuele inspectie kunnen de teken manueel verwijderd worden met behulp van een tekentang, of kan gekozen worden voor een medicamenteuze behandeling. De meeste acariciden (5) hebben geen afwerende werking tegen teken en kunnen dan ook niet voorkomen dat er zich nieuwe teken aan de hond of kat hechten, wat door de eigenaar onterecht geïnterpreteerd kan worden als het onvoldoende werkzaam zijn van het product. De teken zullen echter binnen de 24 à 48 uur gedood worden. Pyrethrinoïden hebben wel een afwerende werking. De behandelingsintervallen van antiparasitica tegen teken zijn meestal korter dan deze tegen vlooien. Het niet respecteren van het behandelingsinterval en het niet correct doseren of toedienen van een product zijn ook hier de belangrijkste oorzaken van therapiefalen. Eigenaars zijn er zich bovendien niet steeds van bewust dat niet alle antivlooienmiddelen ook werkzaam zijn tegen teken. Preventie en behandeling van teken zal voornamelijk nodig zijn in de warmere maanden. In gebieden met een mild klimaat, waaronder België, kunnen teken ook tijdens de winter actief zijn. Oplettendheid is ook geboden bij dieren die op reis waren (Wright et al., 2018).
Ectoparasitica als diergeneesmiddel in België in de handel
De diergeneesmiddelen (6) die in België in de handel op 29 april 2020 zijn voor de behandeling van vlooien en teken bij honden en katten worden resp. in Tabel 1 en Tabel 2 opgesomd met hun werkzame stof, de ectoparasieten waartegen ze werkzaam zijn, de toedieningsvorm en de werkingsduur en eventueel het toedieningsinterval. Indien van toepassing worden ook de andere ectoparasieten vermeld waarvoor het geneesmiddel geïndiceerd is. De geneesmiddelen zijn in de tabel gerangschikt naargelang hun samenstelling (actief bestanddeel of combinatie van meerdere actieve bestanddelen). De farmacotherapeutische eigenschappen van de werkzame stoffen, alsook de bijsluiter/SKP van de vermelde diergeneesmiddelen zijn terug te vinden op www.bcfi-vet.be.
-
In dit artikel worden enkel de insecticiden besproken die momenteel in de handel zijn.
-
Het werkingsspectrum van een bepaald diergeneesmiddel is terug te vinden in zijn bijsluiter/SKP.
-
Verschillende producten die voor de hond veilig zijn, kunnen toxisch zijn voor katten of andere huisdieren. De doeldieren, de indicaties (bv. vlooien en/of teken), contra-indicaties en andere informatie die een goed gebruik van het diergeneesmiddel verzekeren, zijn terug te vinden in de bijsluiters/SKP. Deze zijn elektronisch beschikbaar via onze website www.bcfi-vet.be.
-
De definitie van resistentie is “een gewijzigde gevoeligheid van de bestreden populatie tegenover een product waarbij de verwachte werkzaamheid niet wordt bereikt ondanks een gebruik volgens de bijsluiter/SPK van het product”.
-
In dit artikel worden enkel de acariciden besproken die momenteel in de handel zijn.
-
Insecticiden en acariciden kunnen in België als diergeneesmiddel of als biocide toegelaten worden. De producten die in dit artikel worden besproken zijn uitsluitend de insecticiden en acariciden die als diergeneesmiddel in de handel zijn.
Referenties
-
Claerebout E., Losson B., Cochez C., Casaert S., Dalemans A-C., De Cat A., Madder M., Saegerman C., Heyman P., Lempereur L., 2013. Ticks and associated pathogens collected from dogs and cats in Belgium. Parasites & Vectors. 6:183.
-
Cochez C., Lempereur L., Madder M., Claerebout E., Simons L., De Wilde N., Linden A., Saegerman C., Heyman P., Losson B., 2012. Foci report of indigenous Dermacentor reticulatus populations in Belgium and a preliminary study on associated babesiosis pathogens. Medical and Veterinary Entomology. 26:355-358.
-
Coles T. B., Dryden M. W., 2014. Insecticide/acaricide resistance in fleas and ticks infesting dogs and cats. Parasites & Vectors. 7:8
-
Halos L., Beugnet F., Cardoso L., Farkas R., Franc M., Guillot J., Pfister K., Wall R., 2014. Flea control failure? Myths and realities. Trends in Parasitology. 30(5): 228-233.
-
Jongejan F., Ringenier M., Putting M., Berger L., Burgers S., Kortekaas R., Lenssen J., van Roessel M., Wijnveld M., Madder M., 2015. Novel foci of Dermacentor reticulatus ticks infected with Babesia canis and Babesia caballi in the Netherlands and in Belgium. Parasites & Vectors. 8: 232.
-
Paterson S., 2019. Canine flea control : too much choice? Companion Animal. 24:452-457.
-
Rust M.K., 2017. The Biology and Ecology of Cat Fleas and Advancements in Their Pest Management: A Review. Insects. 8:118.
-
Sciensano. Monthly Newsletter on infectious diseases concerning the news of the current month. 2018.
-
Wright I., Cull B., Gillingham E.L., Hansford K.M., Medlock J., 2018. Be tick aware: when and where to check cats and dogs for ticks. Veterinary Record. doi: 10.1136/vr.104649.
-
ESCCAP: De Europese organisatie ESCCAP (European Scientific Counsel Companion Animal Parasites) bestaat uit een groep dierenarts-parasitologen en geeft via haar website (www.esccap.eu) actuele informatie en ontwikkelt uniforme richtlijnen voor parasietenbestrijding bij hond en kat.