Folia Veterinaria

Bedinvetmab versus meloxicam?

datum publicatie: 25-09-2025
Doeldier
hond
Indicatie
analgesie - pijn
ontsteking
Actief bestanddeel
bedinvetmab
meloxicam
Topics
Analgesie
Monoclonale antistoffen
NSAID
Osteoartritis

Bedinvetmab en bepaalde NSAID’s zoals meloxicam zijn geïndiceerd voor de behandeling van pijn bij honden met osteoartritis (OA). 

Recent publiceerden Innes et al. (2025) een eerste studie waarin de werkzaamheid en veiligheid van bedinvetmab vergeleken werd met deze van meloxicam voor de behandeling van pijn bij honden met OA. Dit onderzoek werd uitgevoerd in opdracht van Zoetis, de vergunninghouder van Librela (bedinvetmab) en sluit aan op een veel gestelde vraag uit de praktijk: “Zijn NSAID’s en bedinvetmab evenwaardige behandelingsopties?”.

Op basis van de resultaten van deze studie besluit het BCFI het volgende:

  • Bedinvetmab en meloxicam vertonen binnen een behandelingsperiode van 56 dagen een vergelijkbare werkzaamheid die tot een klinisch relevante verbetering van de behandelde honden leidt.
  • In deze studie werden meer bijwerkingen gemeld voor meloxicam dan voor bedinvetmab. Gezien de beperkingen van deze studie is dit resultaat geen robuust bewijs voor een verschil in veiligheid tussen beide stoffen.
  • Er zijn methodologische beperkingen aan de studie, onder meer de financiering van deze studie door de registratiehouder van het geneesmiddel met bedinvetmab (Librela), de niet-blindering van de behandeling en de subjectieve beoordeling door de eigenaars.

Gezien het kleine aantal dieren in deze studie (101 honden) en haar beperkte duur (56 dagen) moeten we voorzichtig zijn om deze resultaten te generaliseren naar een grotere, meer gevarieerde hondenpopulatie die voor een langere periode behandeld wordt. Dezelfde voorzichtigheid geldt voor een extrapolatie naar andere NSAID’s die bij de hond geïndiceerd zijn voor de behandeling van pijn bij OA (carprofen, cimicoxib, firocoxib, robenacoxib, grapiprant en enflicoxib). 

Voor een individuele patiënt zal u de therapeutische keuze moeten baseren op zijn medische voorgeschiedenis en zijn verwachte tolerantieprofiel en op de voorkeuren van de eigenaar. Regelmatige herbeoordeling is noodzakelijk om de behandelingsstrategie aan te passen aan de klinische respons en het optreden van eventuele bijwerkingen.

Onderzoek naar de werkzaamheid en veiligheid van combinaties van bedinvetmab met een NSAID (meloxicam of andere) die in de praktijk regelmatig worden toegepast, ontbreekt nog steeds (Farrell et al., 2025). (Zie ook Folia-artikel “De veiligheid van Librela onder de loep”).

Het onderzoek en haar belangrijkste resultaten

Innes et al. (2025) voerden in opdracht van Zoetis een gerandomiseerde, niet-geblindeerde, multicentrische (8 Britse dierenhospitalen), klinische studie uit. De studie duurde 56 dagen.

De honden die voor deze studie in aanmerking kwamen, werden voor het eerst gediagnosticeerd of werden voorheen enkel met voedingssupplementen behandeld. In totaal werden 101 honden met OA geselecteerd en willekeurig verdeeld over 2 behandelingsgroepen. 

De eerste groep met 52 honden kreeg 2 x een maandelijkse injectie met 0,5 – 1,0 mg/kg bedinvetmab (D1 en D28). De tweede groep met 49 honden kreeg dagelijks een orale dosis meloxicam van 0,1 mg/kg/dag (deze behandeling startte met één subcutane meloxicam-injectie van 0,2 mg/kg op D1). 

Honden werden voor de start van de behandeling onderzocht door de behandelende dierenarts. Tijdens dit onderzoek werd bloed en urine onderzocht en werden de dieren radiografisch onderzocht. De daaropvolgende consultaties hadden plaats om de 14 dagen (D14, D28, D52 en D56). Op deze tijdstippen onderzocht de dierenarts de honden en noteerde eventuele bijwerkingen of bijkomende medicatie (dieren behandeld met geneesmiddelen die een invloed op de studieresultaten zouden kunnen hebben werden uitgesloten van de studie). Het bloed- en urineonderzoek werd herhaald op D56.

De pijn en functieverbetering werden beoordeeld met de Canine Orthopaedic Index1 (COI) die voor de start van de behandeling en daarna om de 14 dagen, werd ingevuld door de eigenaar. De onderzoekers baseerden zich op eerder onderzoek om een daling van de COI met 14 punten als een klinisch relevante daling te beschouwen.

  1. De veterinaire categorische beoordeling (algemene musculoskeletale conditie, pijn bij palpatie/manipulatie van gewricht(en), kreupelheid/gewichtdragend vermogen) was ten minste ‘matig’ (schaal: klinisch normaal, mild, matig, ernstig, bijna invaliderend) bij zowel de screening als op dag 0. De COI (beoordeeld door de eigenaar) bedroeg minstens 26 punten (maximale COI-score= 64 punten).

Voor beide producten stelden de onderzoekers een klinisch significante daling vast van de COI-score. Er is geen significant betere werkzaamheid vastgesteld van bedinvetmab t.o.v. meloxicam. 

In de bedinvetmab-groep werd het klinisch relevant verschil bereikt bij de eerste COI-bepaling (D14). Tijdens de 3 overige COI-bepalingen werd voor beide stoffen een klinisch relevant verschil waargenomen. Op het einde van de studie (D56) bedroeg dit verschil gemiddeld 19,7 in de bedinvetmab-groep en 17,1 in de meloxicam-groep.

In het bloed- en urineonderzoek werd in de meloxicam-groep een significante stijging van de creatinineconcentraties vastgesteld. Wat hiervan de klinische relevantie is, werd niet onderzocht. 

In de meloxicam-groep werden volgende bijwerkingen gemeld: niet ernstige gastro-intestinale bijwerkingen zoals diarree (n=5), braken (n=3) en anorexie (n=1), en manken (n=3), ataxie (n=2), pruritis (n=1) en 1 geval van agressie. Voor bedinvetmab werden volgende bijwerkingen gemeld: manken (n=2), interdigitale cyste (n=1) en polydipsie (n=1) gemeld.

Een goed opgezette studie maar niet zonder beperkingen

Om de werkzaamheid en veiligheid van bedinvetmab en meloxicam te vergelijken onderzocht deze studie honden met OA van eigenaars die in verschillende praktijken werden aangemeld. Het uitvoeren van deze studie onder praktijkomstandigheden waarbij de dierenarts de hond behandelt en opvolgt en de eigenaar de werkzaamheid beoordeelt, verhoogt de klinische relevantie van de resultaten van dit onderzoek. 

Toch waren er in deze studie ook factoren aanwezig die het risico op vertekening (bias) verhoogden wat de validiteit van de resultaten beperkt, in het bijzonder deze over de werkzaamheid op langere termijn en over het verschil in veiligheid tussen beide behandelingen:

  • Zoetis financierde deze studie en was ook betrokken bij het opstellen van het studieprotocol.
  • De studie is ontworpen om de werkzaamheid te meten maar niet de veiligheid.
    • De steekproefgrootte werd berekend om een verschil in werkzaamheid vast te stellen; om een verschil in bijwerkingen vast te stellen werd geen aparte berekening uitgevoerd en hiervoor kunnen dus geen relevante conclusies worden getrokken.
    • Door haar relatief korte duur kan deze studie geen bijwerkingen aantonen die zich pas bij een langer gebruik manifesteren.
  • De therapietrouw was in de meloxicam-groep moeilijk te controleren (meloxicam-tablet moest dagelijks door de eigenaar toegediend worden), in tegenstelling met de duidelijk controleerbare therapietrouw in de bedinvetmab-groep (waarbij de injectie door de dierenarts werd toegediend). Een gebrek aan therapietrouw kan zowel de resultaten voor de werkzaamheid, als het aantal gemelde bijwerkingen beïnvloed hebben.
  • Het niet-geblindeerde opzet (eigenaars en behandelende dierenartsen wisten welke behandeling de hond kreeg) kan naargelang het gebruikte diergeneesmiddel bepaalde verwachtingen creëren waardoor de beoordeling van de werkzaamheid en het opmerken van bepaalde bijwerkingen mogelijks werd beïnvloed.
  • De beoordeling van de werkzaamheid met de COI-schaal is subjectief: de mate waarin de eigenaar kleine wijzigingen in het gedrag van de hond al of niet opgemerkt, kan de totaalscore beïnvloeden. Andere methodes zoals drukplaatanalyse, stapanalyse, activiteits-trackers zouden objectievere eindpunten bieden.
  • Het beoordelen van bijwerkingen (ernstig, niet ernstig) door de eigenaars is subjectief.

Bibliografie