De macroliden, lincosamiden en streptogramines vormen samen de MLS antibioticumfamilie. Hierbij worden eveneens de pleuromutilines gevoegd, die uitsluitend voor diergeneeskundig gebruik zijn.
Met uitzondering van virginiamycine, dat niet als diergeneesmiddel in België in de handel is, worden de streptogramines niet therapeutisch gebruikt.
Deze antibiotica bezitten, ondanks een verschillende moleculaire structuur, talrijke gemeenschappelijke eigenschappen.
Ze zijn allen bacteriostatisch of bactericide naargelang de dosis, binden op de 50S-subeenheid van de ribosomen, vertonen een sterk lipofiel karakter en hebben een hoge weefsel- en intracellulaire distributie.
Tot deze groep behoren lincomycine en clindamycine. Ze zijn actief tegen GRAM+ aeroben en anaeroben en mycoplasmen. Heel wat GRAM- bezitten natuurlijke resistentie. Ook verworven resistentie werd al opgemerkt. Clindamycine is in belangrijke mate actief tegen anaeroben en is eveneens werkzaam tegen toxoplasmen. Lincosamiden zijn aangewezen bij de behandeling van diepe infecties met o.a. anaerobe GRAM+ die farmacokinetisch moeilijk te bereiken zijn (vb. abcessen, prostatitis, arthritis, osteomyelitis, pyodermatitis).
De diergeneesmiddelen uit deze groep zijn geïndiceerd voor de behandeling van huidinfecties, respiratoire, articulaire infecties en spijsverteringsaandoeningen. Meestal worden de gevoelige kiemen die voor deze pathologieën verantwoordelijk zijn, in de bijsluiters opgesomd. Voor veel specialiteiten zijn ook de farmacokinetische gegevens beschikbaar. Deze diergeneesmiddelen zijn geïndiceerd voor de behandeling van bepaalde articulaire, pulmoniare, urinaire, spijsverterings- en huidinfecties.
De associatie van lincomycine en spectinomycine (zie Aminosiden) leidt tot een additief of synergistisch effect. Hierdoor wordt het werkingsspectrum uitgebreid met mycoplasmen. Deze diergeneesmiddelen zijn geïndiceerd voor de behandeling van bepaalde articulaire, pulmonaire, urinaire, spijsverterings- en huidinfecties.
Lincosamiden interfereren met de 50S subeenheid van de bacteriële ribosomen.
Lincomycine en voornamelijk clindamycine worden per os zeer goed geresorbeerd bij de monogastrica. De absorptie wordt echter vertraagd door voedsel en kaolien. Ze worden voornamelijk gemetaboliseerd in de lever en in mindere mate onder actieve vorm uitgescheiden in de nier. Ze diffunderen goed doorheen biologische barrières. De bereikte weefselconcentraties liggen hoger dan de plasmaconcentraties vooral in lever, nieren, longen, beenderen, gewrichten, centraal zenuwstelsel, prostaat en melkklierweefsel. Deze weefseldistributie is deels te wijten aan hun basisch karakter. De concentraties ter hoogte van het cerebrospinaal vocht blijven klein. Clindamycine diffundeert in voldoende mate naar de beenderen en is werkzaam bij osteomyelitis. Bovendien kan deze stof zich concentreren ter hoogte van de macrofagen.
Het gebruik van lincosamiden is te mijden bij konijn, cavia en hamster, paarden en ruminantia.
Als toxische bijwerking veroorzaken de lincosamiden voornamelijk ernstige diarree, met eventueel dodelijk verloop bij de mens en herbivoren. Bij melkvee kan dit gepaard gaan met acetonemie en daling van de melkproductie. Bij carnivoren worden lincosamiden goed getolereerd. Andere minder voorkomende toxische effecten zijn: neuromusculaire blok met paralyse na anesthesie, cardiale depressie na een te snelle intraveneuze injectie, allergische reacties en een matige leverdegeneratie.
Lincosamiden antagoniseren de werking van chlooramfenicol en van macroliden. De absorptie van lincomycine wordt gehinderd door kaolien. Gelijktijdige toediening van neuromusculaire inhibitoren moet met de nodige voorzichtigheid gebeuren.
Bij gebrek aan gegevens is het gebruik tijdens dracht of lactatie slechts verantwoord als de baten opwegen tegen de risico’s.